Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:4075

Inhoudsindicatie

Omgang en wijziging gezag

De rechtbank heeft een onafhankelijk deskundigenonderzoek gelast om o.a. inzicht te krijgen in de vaardigheden van ouders, de mogelijkheden tot verbetering van de situatie en welke contactregeling het meest in het belang van de minderjarige moet worden geacht. Uit de rapportages van de onderzoekers en de bijzondere curator blijkt dat beide ouders geschikte opvoeders zijn, maar dat er geen mogelijkheden meer zijn voor verbetering in de communicatie tussen hen. Niettemin vinden zij dat tegemoet moet worden gekomen aan de wens van (ook) de minderjarige om weer tot een gelijkwaardige verdeling van omgang met haar ouders te komen. Er wordt parellel solo-ouderschap met een 50/50-regeling geadviseerd waarbij de communicatie tussen de ouders uiterst beperkt blijft en voornamelijk verloopt via een onafhankelijke derde. De rechtbank overweegt o.a. dat voor parallel solo-ouderschap vereist is dat ouders zich strikt houden aan uitgeschreven plannen of gerechtelijke uitspraken. De rechtbank ziet teveel contra-indicaties om de regeling uit te breiden tot een 50/50-regeling gelet op het verloop van de omgangscontacten tussen de vader en minderjarige tot nu toe. Om toch enigszins tegemoet te komen aan de wensen van minderjarige en de vader om meer contact met elkaar te hebben, ziet de rechtbank aanleiding een iets ruimere regeling vast te stellen. Verder wijst de rechtbank het verzoek van de moeder het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat zij voortaan het eenhoofdig gezag zal hebben, toe. Ouders zijn niet (langer) in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en de minderjarige zit klem tussen haar ouders. Gelet op het feit dat de rechtbank de onderhavige uitspraak niet aan de minderjarige in persoon zal uitleggen, verzoekt de rechtbank de bijzondere curator deze met de minderjarige te bespreken binnen vier weken.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2019-04-18
Publicatiedatum
2019-04-25
Zaaknummer
JE RK 18-65 / C/09/546071
Procedure
Eerste aanleg – meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht
Zittingsplaats
‘s-Gravenhage

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Zaaksgegevens: JE RK 18-65 / C/09/546071 (I) FA RK 19-1384 / C/09/568834 (II)

en FA RK 19-1989 / C/09/570145 (III)

Datum uitspraak: 18 april 2019

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en gezag

Beschikking in de zaak naar aanleiding van het op 10 januari 2018 ingekomen verzoekschrift (I) van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),

betreffende:


[minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

waarbij als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. M.M. van Wijk, kantoorhoudende te Honselersdijk,

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2]

advocaat: mr. M.S. Verboom, kantoorhoudende te Den Haag,

mevrouw drs. A. van Teijlingen,

de bijzondere curator van [minderjarige] ,

en naar aanleiding van de op respectievelijk 20 februari 2019 (II) en 12 maart 2019 (III) van de zijde van de moeder ingediende verzoeken, waarbij de vader als belanghebbende wordt aangemerkt en de gecertificeerde instelling als informant.

Het procesverloop

I. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Bij beschikking van 1 februari 2018 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de door de voorzieningenrechter in deze rechtbank op 23 november 2016 vastgestelde zorgregeling voorlopig werd gewijzigd.

Bij beschikking van 27 februari 2018 heeft de rechtbank kenbaar gemaakt dat zij voornemens was in de onderhavige zaak het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) opdracht te geven (een) deskundige(n) voor te dragen. De rechtbank heeft partijen onder meer verzocht zich uit te laten over de aan de deskundige(n) voor te leggen onderzoeksvragen zoals in voornoemde beschikking geformuleerd.

Bij beschikking van 29 maart 2018 heeft de rechtbank het NIFP verzocht te bemiddelen bij de benoeming van (een) onafhankelijke deskundige(n) voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de in die beschikking vermelde vragen en een begroting te verstrekken.

Bij beschikking van 19 april 2018 heeft de rechtbank onder meer een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en haar vader, is een bijzondere curator voor [minderjarige] benoemd en is de behandeling van de zaak verder aangehouden tot 1 oktober 2018 pro forma.

Bij beschikking van 27 juli 2018 heeft de rechtbank onder meer een deskundigenonderzoek gelast voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de in die beschikking vermelde vragen en Het Haags Ambulatorium benoemd tot onderzoeksinstantie die het deskundigenonderzoek zou uitvoeren. Voor het overige is de behandeling van de zaak aangehouden tot 1 oktober 2018 pro forma.

Voor een overzicht van het volledige procesverloop tot 18 maart 2019 en de feiten in deze zaak wordt verwezen naar voornoemde beschikkingen.

De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van:

 het verslag van 7 februari 2019 van de bijzondere curator;

 een onderzoeksrapport van 12 maart 2019 van Het Haags Ambulatorium betreffende [minderjarige] en de moeder;

 een onderzoeksrapport van 13 maart 2019 van Het Haags Ambulatorium betreffende [minderjarige] en de vader.

II. Gezag en gezagsuitoefening
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder de verzoekschriften van de zijde van de moeder en het (integrale) verweerschrift van de zijde van de vader.

Op 18 maart 2019 is de behandeling van het verzoek in zaak I voortgezet en gecombineerd behandeld met de verzoeken in de zaken II en III en tevens met de verzoeken in de zaken met kenmerk: JE RK 18-115 / C/09/546505 (verzoek tot vervallen verklaring van een schriftelijke aanwijzing) en JE RK 19-96 / C/09/566408 (verlenging ondertoezichtstelling).

Op de zitting zijn verschenen:

 mevrouw [A.] en de heer [B.] namens de gecertificeerde instelling;

 de vader, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd;

 de moeder, bijgestaan door haar advocaat voornoemd.

De advocaat van de moeder heeft pleitaantekeningen overgelegd.

De bijzondere curator, mevrouw drs. [C.], heeft aangegeven verhinderd te zijn om te verschijnen, maar gedurende de zitting wel telefonisch bereikbaar te zijn voor vragen van de rechtbank.

[minderjarige] is op 1 maart 2019 in raadkamer gehoord.

Verzoeken en verweer

I. Het verzoek van de gecertificeerde instelling strekt ertoe de door de

voorzieningenrechter op 23 november 2016 vastgestelde contactregeling te beëindigen en een nieuwe contactregeling vast te stellen inhoudende dat [minderjarige] één weekend per twee weken, van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij de vader is, onder de voorwaarde dat de vader zijn medewerking verleent aan de uitvoering van de afspraken die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gemaakt.

De moeder heeft ingestemd met het verzochte.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

II. De moeder verzoekt de rechtbank aan haar vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] in te schrijven bij het Dalton Voorburg, alsmede om als respectievelijk tweede tot en met vijfde keuze op te geven: het Veurs Lyceum, het Christelijk Lyceum Zandvliet, het Sint-Maartenscollege en het Montaigne Lyceum, dan wel een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk acht, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

III. De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en te

bepalen dat de moeder voortaan het eenhoofdig gezag zal hebben over [minderjarige] , met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen beide verzoeken, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

I. De omgangsregeling

Uit de rapportages van het Haags Ambulatorium en de bijzondere curator komen de volgende – in dit kader relevante – conclusies naar voren over de ouders en over [minderjarige] . Beide ouders blijken over voldoende pedagogische en affectieve mogelijkheden te beschikken met ieder hun eigen waardevolle accenten daarin. [minderjarige] profiteert van beide opvoedomgevingen en haar ontwikkeling wordt in beide situaties op verschillende manieren gestimuleerd. Als belangrijkste zorgpunt komt naar voren de zeer ernstig verstoorde verstandhouding en communicatie tussen de ouders, hetgeen een groot beroep doet op de loyaliteit van [minderjarige] . Bij de vader is de verwachting dat rehabilitatie en herstel van zijn ouderrol in het leven van [minderjarige] en het ervaren van gelijkwaardig ouderschap (het niet langer hoeven te wedijveren met de moeder over wie de beste ouder is voor [minderjarige] ) voor een betere balans in zijn draaglast/draagkrachtverhouding zal zorgen en daarmee meer rust en ontspanning zal brengen in zijn dagelijks functioneren. Zowel de onderzoekers van Het Haags Ambulatorium als de bijzondere curator zien vrijwel geen mogelijkheden meer voor verbetering in de communicatie tussen de ouders. Niettemin vinden zij dat tegemoet moet worden gekomen aan de wens van [minderjarige] om weer tot een gelijkwaardige verdeling van omgang met haar ouders te komen en dat zij in dit kader in staat kan worden geacht om haar eigen belangen voldoende te waarderen. Om die reden adviseren de onderzoekers van het Haags Ambulatorium over te gaan tot parellel solo-ouderschap met een 50/50-regeling waarbij de communicatie tussen de ouders uiterst beperkt blijft en voornamelijk verloopt via een onafhankelijke derde. Tegelijkertijd komt uit de onderzoeken naar voren dat bij alles de agenda van [minderjarige] leidend zou moeten zijn en dat zij onbevangen contact moet kunnen hebben met de ouder bij wie zij op dat moment niet verblijft en dat haar sociale leven en hobby’s niet worden opgesplitst tussen haar ouders. In het belang van [minderjarige] zouden beslissingen over sociale activiteiten zoals feestjes bij haar moeten worden weggehouden, maar de ouders blijken daartoe niet in staat.

De gecertificeerde instelling kan zich niet vinden in een 50/50-regeling en parellel solo-ouderschap en handhaaft het eerdere verzoek tot een beperkte tweewekelijkse weekendregeling voor de vader.

Ook de moeder kan zich niet vinden in een 50/50-regeling met parellel solo-ouderschap.

De redenen voor de wijziging van de eerdere co-ouderschapsregeling naar de huidige – beperkte – regeling zijn wat haar betreft nog steeds van kracht. Gelet op de houding van de vader jegens de moeder èn jegens de hulpverlening is een ruimere contactregeling tussen [minderjarige] en de vader in haar optiek onuitvoerbaar.

De vader kan zich vinden in de geadviseerde 50/50-regeling in de vorm van parellel solo-ouderschap en, zo begrijpt de rechtbank, verzoekt deze dienovereenkomstig vast te stellen.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij parallel solo-ouderschap, zoals geadviseerd, dienen de ouders elkaar vanuit een gelijkwaardige positie als ouders de noodzakelijke informatie te geven, maar bemoeien zij zich niet met de manier waarop het ouderschap bij de andere ouder wordt ingevuld. Dit ouderschap vraagt erom dat ouders zich strikt houden aan uitgeschreven plannen of gerechtelijke uitspraken. Gelet op de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank, in weerwil van de adviezen van Het Haags Ambulatorium en de bijzondere curator, teveel contra-indicaties om de huidige regeling uit te breiden tot een 50/50-regeling. Daargelaten de vraag of de wens van [minderjarige] om evenveel tijd bij beide ouders te kunnen doorbrengen is ingegeven door loyaliteit, zoals van de zijde van de moeder wordt gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet te verwachten dat aan de randvoorwaarden om tot die regeling te komen zal kunnen worden voldaan. Daarbij noemt de rechtbank allereerst de omstandigheid dat geadviseerd wordt dat bij een dergelijke regeling de behoeften van [minderjarige] leidend moeten zijn, dat wil zeggen dat zij onbelemmerd deel kan blijven nemen aan verschillende activiteiten, zoals feestjes, sporten en andere hobby’s. De rechtbank heeft er weinig vertrouwen in dat de vader [minderjarige] die ruimte in voldoende mate zal gunnen. Wanneer bijvoorbeeld sprake is van activiteiten die wat de vader betreft verband houden met beslissingen van de moeder, verwacht de rechtbank niet dat [minderjarige] daaraan van de vader zonder meer zal mogen deelnemen, gelet op het verloop van de omgangscontacten tussen de vader en [minderjarige] tot nu toe. Bovendien moet [minderjarige] onbevangen contact kunnen hebben met de ouder of de gezinsleden bij wie zij op dat moment niet verblijft. Gebleken is echter dat de vader dat niet toestaat zolang [minderjarige] bij hem verblijft.

Verder overweegt de rechtbank dat voor het goed functioneren van parallel solo-ouderschap noodzakelijk is dat beide partijen in staat zijn zich strikt te houden aan afspraken en beslissingen die van bovenaf worden genomen. De vader heeft gedurende de afgelopen procedure laten zien daar grote moeite mee te hebben. Zo blijft hij ondanks het dringende advies van hulpverlenende instanties, maar ook van de rechtbank zelf, zijn strijd tegen de moeder onverminderd voortzetten. De vader blijft ieder spaarzaam moment van contact met de moeder aangrijpen om haar op belastende wijze te bejegenen of om onnodig met haar in discussie te gaan. Daarnaast wijkt de vader eigenhandig af van afspraken omdat hij daar naar eigen zeggen recht op heeft. Zo heeft hij [minderjarige] tijdens de kerstvakantie twee dagen langer bij zich gehouden dan gepland en is het de moeder pas na interventie van de crisisdienst van de gecertificeerde instelling gelukt om contact met de vader te krijgen.

Ten slotte acht de rechtbank het, gelet op de uitlatingen van met name de vader, aannemelijk dat de ouders het niet eens zullen worden over de onafhankelijke derde die het parallel solo-ouderschap zal moeten begeleiden of dat de vader diens positie gaandeweg vermoedelijk ter discussie zal stellen als er beslissingen worden genomen die hem niet welgevallen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen mogelijkheden de huidige regeling uit te breiden tot een 50/50-regeling. Om toch enigszins tegemoet te komen aan de wensen van [minderjarige] en de vader om meer contact met elkaar te hebben, ziet de rechtbank aanleiding een iets ruimere regeling vast te stellen. De rechtbank zal gelet daarop bepalen dat [minderjarige] met ingang van 18 april 2019 één weekend per twee weken, in plaats vanaf vrijdag vanaf donderdag na school tot zondag 19.00 uur bij de vader is.

Vakanties en feestdagen

Gelet op het moeizame contact tussen de ouders acht de rechtbank het noodzakelijk dat er een gedetailleerde verdeling komt van de vakanties en feestdagen die voor meerdere jaren geldt, met weinig ruimte voor discussie. Ter zitting hebben partijen ervan blijk gegeven het over deze verdeling grotendeels eens te zijn Over de resterende punten zal de rechtbank beslissen zoals hierna weergegeven.

  • Zomervakantie:De zomervakantie zal in twee gelijke delen worden verdeeld, waarbij [minderjarige] bij iedere ouder drie weken aaneengesloten verblijft, in de even jaren bij de vader de eerste drie weken en bij de moeder de laatste drie weken, in de oneven jaren andersom.

  • Herfstvakantie[minderjarige] verblijft deze vakantie in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder.

 Kerstvakantie, Kerstdagen en Oud en Nieuw: [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij haar moeder en de tweede week bij haar vader en in de oneven jaren andersom. In de ene week zullen de kerstdagen vallen. In de andere week Oud en Nieuw.

 Voorjaarsvakantie [minderjarige] verblijft deze vakantie in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder.

 Meivakantie[minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in oneven jaren andersom.

 Pasen, Pinksteren, Goede Vrijdag en Hemelvaart:[minderjarige] verblijft deze dagen bij degene bij wie zij op dat moment in het kader van de weekendregeling of vakantieregeling is.

 Moederdag/VaderdagDe ouders hebben op dit punt geen overeenstemming kunnen bereiken. De vader wil graag dat [minderjarige] bij hem is op Vaderdag, de moeder vindt het te onrustig als er gedurende het weekend wordt gewisseld. De rechtbank zal op dit punt tegemoetkomen aan de wens van de vader om deze dag met [minderjarige] te vieren en zal daarom het verzoek van de vader toewijzen en beslissen dat [minderjarige] op Moederdag/Vaderdag bij de betreffende ouder zal verblijven, ongeacht in wiens weekend dit valt (zonder compensatie), van 20.00 uur op de voorafgaande dag tot 20.00 uur op de dag zelf.

 Verjaardag [minderjarige] : De ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] haar verjaardag in de even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader viert. De vader heeft daarbij verzocht te bepalen dat [minderjarige] vanaf 16.00 uur op de voorafgaande dag tot 20.00 uur op de dag zelf bij de betreffende ouder verblijft. De moeder heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] vanaf 17.00 uur op de voorafgaande dag bij de betreffende ouder verblijft tot de dag erna 10.00 uur dan wel totdat de school aanvangt. De rechtbank stelt deze regeling in redelijkheid vast op 16.30 uur de dag ervoor tot 10.00 uur, dan wel tot de school aanvangt, de dag erna.

 Verjaardagen ouders:[minderjarige] viert de verjaardag van de vader altijd op de dag zelf bij de vader en de verjaardag van de moeder altijd bij de moeder, ongeacht in wiens tijd dit valt. Nu partijen ook ten aanzien van het tijdstip van aanvang en eindigen hetzelfde hebben verzocht als ten aanzien van de verjaardag van [minderjarige] , bepaalt de rechtbank in redelijkheid dat [minderjarige] de dag voor de verjaardag van de betreffende ouder vanaf 16.30 uur tot de dag erna tot 10.00 uur, dan wel het moment dat de school aanvangt, bij de betreffende ouder verblijft.

 Verjaardagen zusjes en sterfdag broertje:[minderjarige] viert de verjaardagen van haar zusjes en de sterfdag van haar broertje altijd op de dag zelf bij de moeder. Nu partijen ook ten aanzien van het tijdstip van aanvang en eindigen van mening verschillen, bepaalt de rechtbank in redelijkheid dat [minderjarige] de dag ervoor vanaf 16.30 uur tot de dag erna tot 10.00 uur, dan wel het moment dat de school aanvangt, bij de moeder verblijft.

II. Het ouderlijk gezag

Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, in verbinding met artikel 1:251a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezamenlijk gezag van niet met elkaar gehuwde ouders onder meer beëindigen indien sprake is van een wijziging van omstandigheden, en op de grond dat er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Volgens de moeder is er geen basis meer voor gezamenlijke uitoefening van het gezag. Zij heeft dat geïllustreerd aan de hand van diverse voorbeelden en berichten van de vader aan haar waarin hij haar blijft beschuldigen. Als de moeder tot afspraken wenst te komen over [minderjarige] en met een concreet voorstel komt, dan blijft een inhoudelijke reactie van de vader op dat voorstel uit. De rapporten van Het Haags Ambulatorium, de bijzondere curator en de bevindingen van de gecertificeerde instelling bevestigen volgens de moeder dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. De moeder wil voorkomen dat partijen steeds naar de rechter moeten als er een belangrijke beslissing dient te worden genomen over [minderjarige] , zoals thans over haar schoolkeuze. Het belangrijkste vindt zij echter dat [minderjarige] niet langer hoeft te worstelen met de gevolgen van het uitblijven van een door beide ouders gedragen beslissing over haar middelbare-schoolkeuze, de invulling van een vakantie of afspraken in haar sociale kring.

De vader is van mening dat niet aan de criteria voor beëindiging van het gezamenlijk gezag is voldaan. Hij erkent dat sprake is van een verstoorde verhouding tussen de ouders en moeizame onderlinge communicatie, maar dat is volgens hem onvoldoende om de moeder alleen met het gezag te belasten. De vader vreest dat de moeder haar gezag zal misbruiken door hem buiten spel te zetten.

Van de zijde van de gecertificeerde instelling is ter zitting toegelicht dat sprake is van uitzonderlijke communicatieproblemen tussen partijen en dat er begrip is voor het verzoek van de moeder. De gecertificeerde instelling verwacht dat toewijzing van het verzoek een groot deel van de strijd tussen partijen zal wegnemen.

De rechtbank overweegt als volgt. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van een ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag houdt in verband daarmee een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals de bevoegdheid om beslissingen te nemen betreffende bijvoorbeeld de verblijfplaats, de school, medische zaken en vrijetijdsbesteding. In geval van gezamenlijk gezag worden dergelijke beslissingen samen met de andere gezagdragende ouder genomen. Voor gezamenlijk gezag is dan ook in het algemeen vereist dat de ouders feitelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.

De rechtbank vindt in de stukken en het verhandelde op de zitting meer dan voldoende grond om aan te nemen dat ouders niet (langer) in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders. Zoals hiervoor reeds overwogen blijft de vader zijn strijd tegen de moeder onverminderd voortzetten, terwijl zijn zorgen over de moeder door geen enkel onderzoek of instantie worden onderschreven en hem van alle kanten dringend wordt geadviseerd daarmee te stoppen. Gezien ook de conclusies van de bijzondere curator, de onderzoekers van Het Haags Ambulatorium en de bevindingen van de gecertificeerde instelling, valt enige toereikende verbetering in de samenwerking binnen afzienbare tijd niet meer te verwachten. De spanningen en het gebrek aan communicatie en overeenstemming tussen de ouders resulteren volgens de betrokken professionals in een loyaliteitsconflict dat in toenemende mate een bedreiging vormt voor [minderjarige] .

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag van partijen wordt beëindigd en dat het gezag uitsluitend aan de moeder toekomt. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat de moeder blijk geeft oog te hebben voor de belangrijke rol van de vader in het leven van [minderjarige] en voor het belang om hem te blijven informeren en consulteren over zaken die [minderjarige] betreffen. Op het moment dat het partijen niet lukt om tot afspraken te komen is het vanaf nu echter de moeder die de knoop zal doorhakken.

III. Gezagsuitoefening/vervangende toestemming school

Gezien het voorgaande behoeft dit onderdeel geen verdere bespreking en zal de rechtbank het verzoek van de moeder bij gebrek aan belang afwijzen gelet op de beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag. Het gevolg daarvan is namelijk dat de moeder alleen de schoolkeuze bepaalt.

IV. De bijzondere curator

Gelet op het feit dat de rechtbank de onderhavige uitspraak niet aan [minderjarige] in persoon zal uitleggen, verzoekt de rechtbank de bijzondere curator deze met [minderjarige] te bespreken binnen vier weken na heden. Onder dankzegging voor de door haar verrichte werkzaamheden, beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 18 mei 2019 als beëindigd.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de vrouw] geboren op [geboortedag 2] 1977 te [geboorteplaats 2] , het gezag zal toekomen over [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1] ;

*bepaalt – in zoverre met wijziging van de door de voorzieningenrechter op 23 november 2016 vastgestelde zorgregeling – dat de vader gerechtigd is omgang te hebben met [minderjarige] één weekend per twee weken, vanaf donderdag na school tot zondag 19.00 uur;

*

stelt de verdeling van de vakanties en bijzondere (feest-)dagen als volgt vast:

 Zomervakantie:[minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder en in de oneven jaren andersom;

 Herfstvakantie[minderjarige] verblijft deze vakantie in de even jaren bij de vader en in oneven jaren bij de moeder;

  • Kerstvakantie, Kerstdagen en Oud en Nieuw: [minderjarige] verblijft in even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij haar moeder en de tweede week bij haar vader en in de oneven jaren andersom;

  • Voorjaarsvakantie [minderjarige] verblijft deze vakantie in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;

 Meivakantie[minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren andersom;

 Pasen, Pinksteren, Goede Vrijdag en Hemelvaart:[minderjarige] verblijft deze dagen bij degene bij wie zij op dat moment in het kader van de weekendregeling of vakantieregeling is;

 Moederdag/Vaderdag[minderjarige] verblijft op Moederdag/Vaderdag bij de betreffende ouder, van 20.00 uur op de voorafgaande dag tot 20.00 uur op de dag zelf;

 Verjaardag [minderjarige] : viert haar verjaardag in de even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader en verblijft bij de betreffende ouder vanaf 16.30 uur de dag ervoor tot 10.00 uur de dag erna dan wel (eerder) tot de school aanvangt;

 Verjaardagen ouders:[minderjarige] viert de verjaardag van de vader altijd op de dag zelf bij de vader en de verjaardag van de moeder altijd op de dag zelf bij de moeder en verblijft bij de betreffende ouder vanaf 16.30 uur de dag ervoor tot 10.00 uur de dag erna dan wel (eerder) tot de school aanvangt;

 Verjaardagen zusjes en sterfdag broertje:[minderjarige] viert de verjaardagen van haar zusjes en de sterfdag van haar broertje altijd op de dag zelf bij de moeder en verblijft bij de moeder vanaf 16.30 uur de dag ervoor tot 10.00 uur de dag erna dan wel (eerder) tot de school aanvangt;

*

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator, mevrouw drs. A. van Teijlingen, met ingang van 18 mei 2019 voor deze procedure als beëindigd;

*

bepaalt het aan de deskundigen toekomende honorarium op € 16.171,65 (inclusief BTW), te brengen ten laste van ‘s Rijks kas, en gelast de griffier dit bedrag aan de deskundigen te voldoen;

*

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 18 april 2019 door

mr. drs. J.E.M.G van Wezel, mr. M.F. Baaij en mr. P.J. Schreuder, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

– door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

– door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.

Bron: Rechtspraak.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.