Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:1774

Inhoudsindicatie

De kinderrechter beslist dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om de gecertificeerde instelling te veroordelen tot het verstrekken aan hem van het volledige dossier. Reden is dat de vader al een klachtprocedure had doorlopen. Hij had binnen zes weken daarna een verzoek kunnen indienen bij de rechtbank, maar heeft dat niet gedaan. Het ingediende verzoek is nu te laat en dus niet-ontvankelijk.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2019-01-15
Publicatiedatum
2019-04-24
Zaaknummer
C/05/343003 / JE RK 18-1242
Procedure
Eerste aanleg – enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zittingsplaats
Arnhem

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team Jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

zaakgegevens : C/05/343003 / JE RK 18-1242

datum uitspraak: 15 januari 2019

beschikking geschillenregeling

in de zaak van


[de vader] (de vader),

wonende te [woonplaats] .

tegen

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem, locatie Nijmegen,

(hierna: de GI),

betreffende


[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:


[de moeder]
(de moeder),

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– het verzoekschrift met bijlagen van de vader van 1 september 2018, binnengekomen bij de griffie op 13 september 2018,

– het verweerschrift van de GI, ongedateerd, met bijlagen

– het verweerschrift van mr. J.G.M. ter Avest (namens de moeder) van 12 december 2018,

– de door mr. I.P. Rietveld ter zitting overgelegde pleitaantekeningen,

– een afschrift van een WhatsApp-gesprek, overgelegd ter zitting mr. I.P. Rietveld namens de vader.

Op 14 december 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

– de moeder, bijgestaan door mr. J.G.M. ter Avest, advocaat uit Utrecht,

– de vader, bijgestaan door mr. I.P. Rietveld, advocaat uit Arnhem,

– [zittingsvertegenwoordigster] , als vertegenwoordigster van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door zijn ouders.

[de minderjarige] woont bij zijn moeder.

Bij beschikking van 1 mei 2018 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 12 mei 2019.

Het verzoek

De vader heeft de rechtbank een geschil voorgelegd, waarvan hij stelt dat dit betrekking heeft op de uitvoering van de ondertoezichtstelling (de zogenoemde artikel 1:262b BW-procedure).

De vader verzoekt de rechtbank primair de GI (hij benoemt JBG Arnhem en JBG beide als verweersters in de procedure) te veroordelen hem het volledige dossier te verstrekken. Daaronder vallen alle in punt 23 van het verzoekschrift genoemde stukken, gerangschikt op chronologische volgorde met nummering van de bijlagen en met een inhoudsopgave. De verstrekking moet geschieden binnen tien dagen na dagtekening van de beschikking, op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat de GI niet aan deze veroordeling voldoet;

Subsidiair verzoekt de vader de GI te veroordelen het volledige dossier, gerangschikt op chronologische volgorde met nummering van de bijlagen en met inhoudsopgave aan de rechtbank te verstrekken, opdat de rechtbank kan beoordelen welke stukken met welke nummers uit het oogpunt van bescherming van persoonsgegevens niet aan vader kunnen worden verstrekt, en te bepalen dat de overige stukken binnen tien dagen na dagtekening van de beschikking aan verzoeker dienen te worden verstrekt, eveneens op verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag dat de GI niet voldoet.

De vader wil graag zien welke acties de GI onderneemt voor [de minderjarige] . De vader meent dat het dossier uit meer bestaat dan correspondentie tussen de vader en de GI. Uit een dossier moet blijken welke onderzoeken zijn gedaan, welke maatregelen zijn getroffen en wanneer de doelen zullen worden bereikt. Dit betekent ook dat als de GI kennisneemt van meldingen bij Veilig Thuis of de politie, dat zij dient na te gaan wat de inhoud is van die meldingen en die vervolgens dient te onderzoeken. Immers is het van belang dat [de minderjarige] niet in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Van transparantie van de zijde van de GI is geen sprake, terwijl in dit dossier transparantie van grootst mogelijk belang is. De vader wil onder anderen weten wat de moeder over hem en zijn gedrag meldt bij de GI. Verder is het van belang te weten wat de mening van de gezinsvoogd is over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Als derden over de vader of de moeder verstrekken, is hij van mening dat hij daarvan in kennis moet worden gesteld.

De vader heeft zijn verzoeken uitgebreid onderbouwd.

Het standpunt van de GI

De GI heeft verweer gevoerd. Zij vraagt primair de vader niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair zijn verzoeken af te wijzen. De vertegenwoordigster van de GI heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij open staat voor een gesprek met de vader en dat kan worden bezien in hoeverre tegemoet kan worden gekomen aan vaders wens om stukken.

Het standpunt van belanghebbende

Ook de moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zij vraagt de rechtbank het verzoek af te wijzen. Er is geen valide reden dat de vader nog meer informatie zou moeten ontvangen. Hij handelt niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder meent dat indien de vader volledige inzage in het dossier van [de minderjarige] zal krijgen daarmee haar privacy in ernstige mate zal worden geschaad.

De beoordeling

De ontvankelijkheid

In artikel 1:10 262b van het BW is bepaald dat geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. De kinderrechter neemt in voorkomend geval bij geschillen een zodanige beslissing als hem of haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

In ditzelfde artikel 1:10 262b BW is echter opgenomen dat geschillen die betrekking hebben op gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, zijn uitgezonderd.

In artikel 4.2.1 van de Jeugdwet staat, samengevat in eigen woorden en voor zover relevant, dat de (…) GI een regeling treft voor geschillen voor de behandeling van klachten over gedragingen van de GI of haar medewerkers jegens de jeugdige of een ouder, in het kader van de verlening van de jeugdhulp of uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel.

In lid 2 van dit artikel is onder meer opgenomen dat een klachtencommissie van minimaal drie personen, met een voorzitter die niet werkt bij de GI, de klacht behandelt. Die commissie dient binnen een vastgelegde termijn een met redenen omkleed schriftelijk oordeel aan de klager te verstrekken. De GI moet vervolgens (lid 3 van hetzelfde artikel) binnen een maand na ontvangst van het oordeel van de commissie aan de klager laten weten of zij maatregelen neemt, en zo ja welke.

Uit de stukken van de vader en van de GI, maar ook ter zitting, is gebleken dat de vader deze klachtprocedure heeft doorlopen, waar het gaat om zijn verzoek om inzage/overlegging van het dossier door de GI. De GI heeft als productie 3 de uitspraak van de klachtencommissie van de GI, gedateerd 4 december 2017, in het geding gebracht. De kinderrechter leest dat de klacht van vader ongegrond is bevonden. De vader heeft niet gesteld, en evenmin is de kinderrechter gebleken, dat hij aan de GI te kennen heeft gegeven dat deze klachtprocedure niet conform de regels is verlopen, evenmin heeft de vader gesteld dat hij zich vervolgens tot de rechtbank heeft gewend.

In artikel 7.3.17 van de Jeugdwet staat dat de beslissing van de GI die is genomen op grond van deze paragraaf (ter verduidelijking: het gaat om paragraaf 7.3, die ziet op ‘toestemming, dossier en privacy’) voor de toepassing van paragraaf 3.3 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, geldt als een beslissing ‘genomen door een ander dan een bestuursorgaan’.

Als we dan de betreffende Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) erbij pakken, is in het tweede lid van artikel 1:135 (over de toepasselijkheid van het burgerlijk recht bij niet-bestuursorganen) te lezen dat binnen zes weken nadat het antwoord van de GI om het verzoek om inzage was ontvangen, een verzoek bij de rechtbank kan (kon) worden ingediend. Het gaat dan om de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG, waar artikel 15 ziet op het recht om inzage van de betrokkene. De betrokkene in dit verband is [de minderjarige] . [de minderjarige] is echter minderjarig. In artikel 7.3.15 van de Jeugdwet staat daarom ook dat de verplichtingen van de jeugdhulpverlener jegens ‘een betrokkene’ als die nog geen twaalf jaar oud is, gelden jegens de gezaghebbende ouders. Vader is gezaghebbende ouder en wettelijke vertegenwoordiger van [de minderjarige] .

Met andere woorden: De kinderrechter is van oordeel dat de vader zich binnen de hierboven genoemde termijn van zes weken tot de rechtbank had kunnen wenden, en – waar het gaat om de ontvankelijkheid van de kinderrechter – ook móeten wenden om een beslissing te krijgen.

De kinderrechter is daarom van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de kinderrechter niet toe.Wel overweegt de kinderrechter nog het volgende: De nieuwe (huidige) jeugdbeschermer heeft ter zitting aan de vader toegezegd dat zij, wederom, met de vader aan tafel wil om te bezien of hij nog meer/andere stukken wil ontvangen dan hij inmiddels van de GI heeft gekregen. Het komt de kinderrechter voor dat de sleutel tot de échte oplossing, dat wil zeggen waar het aankomt op het belang van [de minderjarige] , ligt in het gesprek.

De beslissing

De kinderrechter:

verklaart de vader niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. de Boer, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.L. Waanders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019.

Bron: Rechtspraak.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.