Uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2019:166

Inhoudsindicatie

Er is sprake van ouderverstoting van de moeder en de vader is niet bereid of in staat om de minderjarige te stimuleren in het contact met de moeder. Dit is een vorm van psychische kindermishandeling. Een uithuisplaatsing op een neutrale plek is nodig om dit te beëindigen. Alhoewel een uithuisplaatsing ingrijpend is, is dit op de lange termijn beter voor de minderjarige.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2019-01-17
Publicatiedatum
2019-01-21
Zaaknummer
449716
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zittingsplaats
Utrecht

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Zittingsplaats: Utrecht

zaakgegevens : C/16/469015 / JE RK 18-2036 (verlenging ondertoezichtstelling)

C/16/469014 / JE RK 18-2035 (machtiging uithuisplaatsing)

C/16/450146 / FO RK 17-1924 (zorgregeling)

datum uitspraak: 17 januari 2019

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, tevens beschikking vaststellen zorgregeling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, hierna te noemen de GI, gevestigd te Utrecht,

betreffende


[minderjarige]
, geboren op [2004] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:


[de vader] ,
hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,


[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

en in de zaak van


[de moeder]
,

de moeder,

advocaat mr. D.I.A. Schröder,

tegen


[de vader]
,

de vader,

advocaat mr. J.P. den Besten.

De Raad voor de Kinderbescherming, hierna de Raad, is in beide zaken betrokken op grond van artikel 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

1 Het procesverloop

1.1. 

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

in de zaken 469015 en 469014,

– het verzoek met bijlagen van de GI van 18 oktober 2018, ingekomen bij de griffie op 19 oktober 2018;

in de zaak 449716,

– de tussenbeschikking van deze rechtbank van 19 november 2018.

1.2. 

Op 13 december 2018 heeft de meervoudige kamer de zaken ter zitting met gesloten deuren gelijktijdig behandeld. Gehoord zijn:

– de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

– de moeder, bijgestaan door haar advocaat;- mevrouw [A] en mevrouw [B] , vertegenwoordigsters van de GI;

– de heer [C] , namens de Raad.

De minderjarige [minderjarige] is op 11 december 2018 door de voorzitter gehoord.

2 De feiten

2.1. 

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2. 

[minderjarige] woont bij de vader.

2.3. 

[minderjarige] is met ingang van 29 januari 2016 onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 25 januari 2018 tot 29 januari 2019.

2.4. 

In de zaak 449716 zijn, bij beschikking van 25 januari 2018, de verzoeken van de moeder ten aanzien van de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van het NIFP onderzoek. Het verzoek van de moeder tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is in die beschikking afgewezen.

2.5. 

In de beschikking van 19 november 2018 heeft de rechtbank de verdere behandeling van het verzoek over de zorgregeling doorverwezen naar de meervoudige kamer.

3 De verzoeken

3.1. 

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Daarnaast verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.2. 

Daarnaast dient de rechtbank te beslissen op het aangehouden verzoek van de moeder om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] één weekend in de twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de moeder verblijft, alsmede iedere woensdagmiddag na school tot donderdagochtend naar school, dan wel een zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4 De standpunten

4.1. 

De GI maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . In de huidige opvoedsituatie wordt de (persoonlijkheids)ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd, ondanks dat hij goed lijkt te functioneren. Er is sprake van psychische en emotionele mishandeling door de vader, zoals ook blijkt uit het rapport van het NIFP van 17 juli 2018. Er is sprake van een ernstige vorm van ouderverstoting richting de moeder, wat een ernstig risico op een verstoorde ontwikkeling meebrengt. De vader en zijn familie zijn niet bereid om mee te werken aan de geboden hulpverlening. Er zijn meerdere gesprekken gevoerd om omgang tussen de moeder en [minderjarige] tot stand te brengen. De vader werkt daar niet aan mee, omdat [minderjarige] volgens hem geen contact met de moeder wil. De vader is niet bereid of in staat om [minderjarige] te stimuleren in het contact met de moeder en daarmee niet in staat of bereid om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden. Opties als contact in een omgangshuis of eten bij de moeder thuis zijn niet uitvoerbaar gebleken. Een uithuisplaatsing is het laatste redmiddel dat ingezet kan worden om [minderjarige] niet langer bloot te stellen aan de psychische mishandeling door de vader. De GI wijkt daarmee af van het advies van het NIFP om de plaatsing bij de grootouders te formaliseren omdat inmiddels is gebleken dat contactherstel met de moeder dan onmogelijk is. Een directe plaatsing van [minderjarige] bij de moeder is niet wenselijk. De GI verzoekt om [minderjarige] eerst op een neutrale (behandel)plek te plaatsen, zoals een verbindingsplek met een ouder-kindtraject of een crisisplek. Van daaruit kan een terugplaatsing naar de moeder worden gerealiseerd met een intensieve vorm van ambulante hulpverlening, zoals een systeemtherapeut. De GI wil tijdens het terugplaatsingstraject het contact tussen [minderjarige] en de vader (en de familie van de vader) opschorten, zodat de vader en zijn omgeving geen verstorende invloed kunnen hebben op [minderjarige] en op het contactherstel met en de plaatsing bij de moeder. De GI onderkent dat een uithuisplaatsing een grote impact zal hebben op [minderjarige] , maar is van mening dat dit op de langere termijn beter zal zijn voor zijn (identiteits)ontwikkeling. Het is van belang dat hij de ruimte krijgt om zich een eigen beeld te vormen van zijn beide ouders.

4.2. 

De Raad heeft ter zitting verklaard dat uit de stukken volgt dat er sprake is van een gesplitste loyaliteit bij [minderjarige] . Dat is met name zorgelijk voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. De Raad adviseert om het verzoek van de GI toe te wijzen omdat dit op de lange termijn voor [minderjarige] beter zal zijn.

4.3. 

De moeder vindt het belangrijk dat er toezicht op de situatie blijft en dat de emotionele veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] wordt gewaarborgd. De moeder had gehoopt dat in het kader van de ondertoezichtstelling al meer stappen waren gemaakt. De GI heeft geprobeerd de vader in beweging te krijgen om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te herstellen, maar de vader werkt niet mee. Als de huidige situatie in stand blijft, vreest de moeder dat zij de aankomende jaren geen contact met [minderjarige] zal hebben. De moeder is daarom van mening dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] op de langere termijn het beste voor hem is. De moeder kan [minderjarige] een veilige omgeving bieden. Zij heeft voor haar andere kinderen hulpverlening ingeschakeld om de impact van de echtscheiding van de ouders te kunnen verwerken en zij vindt het heel erg dat [minderjarige] dit niet heeft gekregen. Wanneer een opbouw van het contact of begeleide omgang voor [minderjarige] het beste zou zijn, stemt de moeder daar mee in. De moeder wil graag begeleiding bij het herstel en opbouw van het contact met [minderjarige] .

4.4. 

De vader heeft geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader kan niet instemmen met de uithuisplaatsing van [minderjarige] op een neutrale plek. Dit zal een grote impact hebben op [minderjarige] , terwijl hij al veel heeft meegemaakt. [minderjarige] ervaart rust, structuur en een veilige omgeving bij zijn opa en oma thuis. Een uithuisplaatsing is niet de manier om het contact met de moeder te herstellen. Ook heeft de vader verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder tot de vaststelling van een zorgregeling. Volgens de vader wil [minderjarige] geen contact met de moeder. De vader laat die keuze bewust aan [minderjarige] , omdat hij van mening is dat dat de beste manier is voor contactherstel. De vader heeft een paar keer gezegd dat [minderjarige] naar de moeder moest gaan, maar dat wilde hij niet. Er is al zoveel geprobeerd. De relatie tussen de vader en de GI is niet goed. Alle hulpverlening heeft er juist voor gezorgd dat [minderjarige] geen contact meer wil met de moeder. Als er al omgang moet komen moet dit begeleid zijn, om de reactie van [minderjarige] in de gaten te houden.

5 De beoordeling

5.1. 

In het NIFP-rapport wordt de ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige] als volgt beschreven:

“Bij [minderjarige] is een aanpassingsstoornis vastgesteld met gemengde emoties en gedrag. [minderjarige] functioneert oppervlakkig gezien leeftijdsadequaat waarbij hij weinig gevoelens van inadequatie voelt en over het algemeen adequate strategieën hanteert om met emoties om te gaan behoudens veel rumineren. Echter op het niveau van zijn persoonlijkheidsstructuur en ook in zijn directe uitingen blijkt dat [minderjarige] zich staande houdt door veel te verdringen, heftige gevoelens af te weren, snel te somatiseren en gebruik te maken van splitsing waarbij vader helemaal goed is en moeder helemaal fout. [minderjarige] is geparentificeerd waarbij hij emotioneel voor vader zorgt door zijn gehechtheid en loyaliteit aan moeder volledig te loochenen. Dit is een manier om zich staande te houden die erg kwetsbaar is en een risico in zich draagt op latere leeftijd tot impulsdoorbraken met agressie te leiden. Dan zou de agressie zich tegen vader kunnen gaan keren.”

“De splitsing en het hautain afwijzen van moeder terwijl er geen aanwijzingen zijn dat moeder een inadequate opvoeder was die hem een zodanig trauma heeft bezorgd dat een dergelijke afwijzing zou kunnen verklaren wijst op beïnvloeding door vader en het oudervervreemdingssyndroom. [minderjarige] moet een deel van zijn identiteit, hij is immers ook kind van zijn moeder, afwijzen om de liefde van zijn vader te behouden en is hiermee in een loyaliteitsconflict. Het emotioneel moeten zorgen voor zijn vader is een rolomkering en teken van parentificatie. Opa en in mindere mate oma laveren tussen partijen door om contact met al hun kleinkinderen te behouden. Daarbij zij zijn eveneens geneigd om mee te gaan in de afwijzing van moeder en het narratief over haar slechte ouderschap.”

“De opvoedingssituatie zou de kans moeten geven om zowel van zijn vader als van zijn moeder te houden en van beide ouders liefde te ontvangen.”

5.2. 

Over de traumatische ervaringen van [minderjarige] wordt het volgende geschreven:

“De aanloop tot de echtscheiding met veel huiselijk geweld waarbij een voortdurende dreiging van escalaties bestond is traumatisch geweest voor [minderjarige] . Het beloop er na waarbij moeder bedreigd werd door vader en moeder door Veilig Thuis geadviseerd werd zich met de kinderen op neutraal terrein terug te trekken was eveneens traumatisch. [minderjarige] heeft dit zodanig heftig beleefd dat hij voortdurend nachtmerries had en visuele hallucinaties en later herinneringen door elkaar zijn gaan lopen zoals het zak over zijn hoofd dragen bij de dropping van een schoolreisje koppelen aan de vlucht met moeder naar zijn tante.”

5.3. 

Over de situatie van ouderschap bij de vader en opa, oma en de oom vaderszijde wordt het volgende naar voren gebracht:

“Hetgeen waar vader tekort schiet; overzicht houden, financiële zelfredzaamheid en organisatie wordt gecompenseerd of aangevuld door grootouders. Bij vader is door Virenze Boba autisme vastgesteld met problemen met agressieregulatie en impulscontrole. Behandeling voor de agressieregulatie en impulscontroleproblemen is nog niet gelukt.”

“Het grote probleem en de kern is het gebrek aan erkenning van het belang van de moeder van [minderjarige] . Hierin zijn alle opvoeders (buiten moeder om) rigide en onbuigzaam gebleken en hun uitlatingen zijn zeer agressief.

Er is jarenlang gepoogd middels hulpverlening iets aan de opstelling van vader richting moeder te veranderen. Het is niet gelukt. De kans om de opstelling van vader en familie vaderszijde ten aanzien van moeder te beïnvloeden wordt klein geacht. Volgens de vakliteratuur zou een tijdelijke uithuisplaatsing op neutraal terrein nodig zijn om af te dwingen dat er contactherstel met moeder komt middels vader korten in contact indien hij niet mee zou werken aan contactherstel. Dit is echter schadelijk voor [minderjarige] ’s ontwikkeling. [minderjarige] laten opgroeien in de huidige opvoedingssituatie is het minst slechte van twee kwaden. Het is hierbij wel van belang dat de ondertoezichtstelling wordt voortgezet om de ontwikkeling van [minderjarige] te blijven volgen. Te overwegen valt de opvoeding van [minderjarige] bij opa en oma te formaliseren via een officiële pleegzorgplaatsing bij opa en oma.”

5.4. 

Ten aanzien van de omgangsregeling merkt de deskundige van het NIFP ten aanzien van de mogelijkheden om tot contactherstel tussen moeder en [minderjarige] te komen onder meer het volgende op:

“Vader heeft bewezen nauwelijks open te staan voor medewerking aan contactherstel van [minderjarige] met moeder. Hij kan bij vlagen in gesprekken wel toegeven of erkennen dat zijn houding daarin bepalend is. Ook geeft vader aan dat begeleiding van de omgang voor hem een voorwaarde is. Hij is zich niet bewust van de ernst van de pathologie waarmee hij zijn zoon opzadelt en de lange termijn gevolgen voor de persoonlijkheidsontwikkeling van zijn zoon. Vader heeft hierin educatie nodig maar ook dwang om daadwerkelijk mee te werken aan een begeleide omgangsregeling.”

Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling

5.5. 

De rechtbank stelt vast dat door geen van de belanghebbenden verweer is gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] .

5.6. 

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd. De zorgen over zijn ontwikkeling zijn de afgelopen periode niet afgenomen. De rechtbank is van oordeel dat het van belang is om zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige] en zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen tot 29 januari 2020.

Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing

5.7. 

Uit artikel 1:265b lid 1 BW volgt dat een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige slechts wordt verleend als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.8. 

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . Uit het NIFP-rapport blijkt dat sprake is van emotionele en psychische kindermishandeling door de vader en dat de (familie van) vader de ouderverstoting van [minderjarige] richting zijn moeder versterkt. [minderjarige] wordt daar continue mee belast, wat een ernstige bedreiging voor zijn ontwikkeling oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat de GI met voldoende stukken en verwijzingen naar deskundigen en literatuur, heeft onderbouwd dat de situatie bij de vader (en de familie van vader) thuis, niet goed genoeg is voor [minderjarige] .

5.9. 

Verder constateert de rechtbank dat het advies van het NIFP om [minderjarige] te laten opgroeien in de huidige opvoedingssituatie, is gegeven met de gedachte dat de vader door de inzet van hulpverlening zou gaan meewerken aan een (begeleide) omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder (bijvoorbeeld op neutraal terrein in een omgangshuis). De GI heeft tijdens de zitting verteld dat gesprekken zijn gevoerd en opties zijn besproken om tot contactherstel te komen, maar zonder resultaat. Ook is tijdens de zitting (weer) gebleken dat de vader op geen enkele manier duidelijk kan worden gemaakt dat de omgang tussen [minderjarige] en de moeder in het belang is van [minderjarige] en dat de vader [minderjarige] daarin zou moeten stimuleren. De rechtbank constateert dat alles is geprobeerd om de vader bewust te maken van de bedreigingen voor de ontwikkeling van [minderjarige] en om zijn medewerking te verkrijgen om deze bedreigingen weg te nemen. Gebleken is dat dit (nog steeds) niet is gelukt. Inmiddels weigert de vader zelfs ieder contact met de GI.

5.10. 

De rechtbank beseft, net als de GI en de Raad, dat het onzeker is hoe [minderjarige] op een uithuisplaatsing zal reageren. Daar staat tegenover dat in de huidige opvoedingsomgeving sprake is van voortdurende psychische kindermishandeling en daarmee een doorlopend trauma voor [minderjarige] , wat erg schadelijk is voor zijn ontwikkeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW en dat de risico’s van een uithuisplaatsing van [minderjarige] minder groot zijn dan die van het laten voorduren van de huidige situatie.

5.11. 

De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode verlenen dan verzocht, omdat onzeker is of een uithuisplaatsing het gewenste effect zal hebben. Een termijn van een half jaar lijkt voorlopig voldoende om dit te kunnen beoordelen. De rechtbank zal nu een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een 24-uursaccommodatie jeugdhulpverlening verlenen tot 17 juli 2019 en de beslissing op het verzoek voor het overige aanhouden.

5.12. 

De rechtbank wijst de vader er op dat deze machtiging tot uithuisplaatsing door de GI als dat nodig is kan worden uitgevoerd met inzet van politie en justitie De rechtbank hoopt dat dat niet nodig zal zijn en dat de vader [minderjarige] zal brengen, zodat een mogelijk verder trauma voor [minderjarige] wordt voorkomen.

5.13. 

De rechtbank wijst de GI er op dat tussen de ouders op dit moment niet in geschil is dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is, zodat voor een eventuele plaatsing van [minderjarige] bij de moeder een machtiging tot uithuisplaatsing is vereist.

Ten aanzien van de zorgregeling

5.14. 

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is duidelijk geworden dat het in het belang van [minderjarige] is dat het contact tussen hem en de moeder wordt hersteld, maar dat dit voorzichtig moet gebeuren. De rechtbank is van oordeel dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing vorm kan geven aan de invulling van dit contact. De gezinsvoogd kan de komende tijd bezien welke regeling qua opbouw, plaats, frequentie en duur in het belang van [minderjarige] is. Het is van belang dat de gezinsvoogd de ruimte krijgt om de zorgregeling uit te breiden en te wijzigen indien het belang van [minderjarige] dat vraagt. Hetzelfde geldt voor het contact tussen [minderjarige] en de vader. De rechtbank zal bepalen dat het aan de GI is om te bepalen welke frequentie en duur van het contact tussen [minderjarige] en de moeder het meest in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank onderschrijft het voornemen van de GI om het contact tussen [minderjarige] en de vader tijdens de (eerste periode van de) uithuisplaatsing op te schorten. De rechtbank zal voornoemde voorlopige regeling vastleggen in deze beschikking en de beslissing op het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een definitieve zorgregeling aanhouden.

5.15. 

De verdere behandeling van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing en het verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling zullen gelijktijdig op een nader te bepalen zittingsdatum en tijdstip door de meervoudige kamer worden behandeld.

5.16. 

De rechtbank verzoekt de GI om de rechtbank, de Raad en alle belanghebbenden uiterlijk één week voor de nader te bepalen zittingsdatum schriftelijk te informeren over de stand van zaken met betrekking tot het verloop van de uithuisplaatsing en de zorgregeling.

5.17. 

Ten slotte zal de rechtbank deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat een eventueel uitstel gelet op de ernst van de huidige opvoedingssituatie en de leeftijd van [minderjarige] niet verantwoord is.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1. 

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 29 januari 2020;

6.2. 

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een 24-uursaccomodatie jeugdhulpverlening, met ingang van 17 januari 2019 tot 17 juli 2019;

6.3. 

stelt een voorlopige zorgregeling vast, inhoudende dat de invulling van de opbouw, plaats, frequentie en duur van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder door de GI wordt vormgegeven;

6.4. 

verzoekt de GI om de rechtbank, de Raad en alle belanghebbenden de verzochte informatie zoals hierboven vermeld toe te sturen;

6.5. 

houdt de behandeling en iedere verdere beslissing aan tot een nader te bepalen datum en tijdstip en bepaalt dat de griffier de belanghebbenden hiervoor zal oproepen;

6.6. 

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, kinderrechter, tevens voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. V.E.J.A. Heijckmann, kinderrechters, in tegenwoordigheid van

R..C. Kruit als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

– door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

– door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden

Bron: Rechtspraak.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.