Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:1476

Inhoudsindicatie

bekrachtiging uithuisplaatsing bij vader, de andere ouder met gezag

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2019-04-18
Publicatiedatum
2019-04-18
Zaaknummer
200.243.649_01 en 200.252.057_01
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zittingsplaats
‘s-Hertogenbosch

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 18 april 2019

Zaaknummers in hoger beroep: 200.243.649/01 en 200.252.057/01

Zaaknummers 1e aanleg van beschikking 26 juni 2018, op schrift gesteld op 3 juli 2018:

  • C/02/345839 / JE RK 18-1021

  • C/02/345838 / JE RK 18-1020

  • C/02/346234 / JE RK 18-1100

  • C/02/346232 / JE RK 18-1101

Zaaknummers 1e aanleg van beschikking 28 september 2018:

  • C/02/345838 / JE RK 18-1020

  • C/02/345839 / JE RK 18-1021

  • C/02/346237 / JE RK 18-1101

  • C/02/346234 / JE RK 18-1100

  • C/02/349261 / JE RK 18-1631

  • C/02/349262 / JE RK 18-1632

in de zaken in hoger beroep van:


[de moeder]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.E.J. de Hart,

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

– de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland,

vestiging: [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1 De gedingen in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van de gedingen in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda), uitgesproken op 26 juni 2018 (op schrift gesteld op 3 juli 2018) en 28 september 2018 onder voormelde zaaknummers.

2 De gedingen in hoger beroep

in zaaknummer 200.243.649/01

2.1. 

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 augustus 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen (voor zover het betreft de verlening van de machtiging voor uithuisplaatsing bij de vader van de kinderen) en de GI te gelasten de kinderen terug te geleiden naar de moeder aan wie zij voorlopig toevertrouwd zijn.

2.2. 

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2018, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3. 

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 september 2018, heeft de vader verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit hoger beroep af te wijzen.

in zaaknummer 200.252.057/01

2.4. 

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 december 2018, heeft de moeder verzocht (primair) de beschikking van 28 september 20018 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing per direct te beëindigen, althans (subsidiair) alleen de uithuisplaatsing per direct te beëindigen. Verder heeft de moeder verzocht haar verzoek tot benoeming van deskundigen ex artikel 810a Rv te honoreren.

2.5. 

Bij V-formulier van 11 januari 2019 (ingekomen ter griffie op 14 januari 2019) heeft de moeder haar verzoek aangevuld, in die zin dat zij mevrouw [Gz-psycholoog en psychotherapeut] (Gz-psycholoog en psychotherapeut, werkzaam bij [instantie] ), de heer [huisarts] (huisarts) en de heer [huisvriend en medicus] (huisvriend en medicus) wenst aan te merken als deskundigen ex artikel 810a Rv en aan hen een oproeping te laten uitgaan om ter zitting te worden gehoord.

2.6. 

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2019, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar beroep af te wijzen en de bestreden beschikking van 28 september 2018 te bevestigen.

Voeging

2.7. 

Gelet op de verknochtheid van de onder nummer 200.243.649/01 en 200.252.057/01 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof de zaken gevoegd behandeld.

2.8. 

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • mr. Kranenburg, namens de moeder;

  • de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • de vader, bijgestaan door mr. De Hart.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.9. 

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 18 september 2018. Verder zijn er met de afzender “ [minderjarige 1] ” twee

e-mailberichten ingekomen die het hof via bureau communicatie hebben bereikt.

Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van de brief en de e-mailberichten zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.10. 

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • de brieven van de raad van 3 oktober 218, 27 februari 2019 en 21 maart 2019 waarin de raad aankondigt niet ter zitting te zullen verschijnen;

  • het V-formulier met bijlagen van 17 oktober 2018 van de advocaat van de vader;

  • de persoonlijke brief van de moeder van 29 oktober 2018;

  • het V-formulier met bijlagen van 11 januari 2019 van de advocaat van de moeder;

  • het V-formulier van 19 januari 2019 van de advocaat van de moeder met als bijlage het proces-verbaal van de zitting van 26 juni 2018;

  • de brief met bijlagen van de advocaat van de vader van 13 maart 2019;

  • het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 14 maart 2019;

  • de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde pleitnota.

3 De beoordeling

3.1. 

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn, voor zover hier van belang, geboren:

  • [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

  • [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

De kinderen hebben formeel hun hoofdverblijfplaats bij de moeder, maar verblijven feitelijk sinds 12 juni 2018 bij de vader op grond van een daartoe strekking machtiging uithuisplaatsing.

3.2. 

De kinderen staan sinds 23 november 2015 onder toezicht van de GI.

Eerste inleidend verzoek

3.3. 

Op 12 juni 2018 heeft er een incident plaatsgevonden waarbij de moeder is ingestort en met de ambulance is afgevoerd. De GI heeft op die dag de rechtbank verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling (toevoeging hof: tot 23 augustus 2018).

De rechtbank heeft op 12 juni 2018 een spoedmachtiging verleend voor de uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van twee weken en de beslissing voor de overige termijn aangehouden. Op 20 juni 2018 heeft de GI verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar met ingang van 23 augustus 2018.

Op 26 juni 2018 heeft de zitting bij de rechtbank plaatsgevonden.

Eerste bestreden beschikking: 26 juni 2018 (op schrift gesteld op 3 juli 2018)

Bij deze bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd van 23 augustus 2018 tot 1 oktober 2018 en het verzoek voor de overige termijn aangehouden. Verder heeft de rechtbank mondeling een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader voor de duur van twee weken (tot 12 juli 2018) en heeft de rechtbank een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader met ingang van 12 juli 2018 tot uiterlijk 1 oktober 2018.

Tweede inleidend verzoek

3.4. 

De GI heeft de rechtbank vervolgens verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader met ingang van 1 oktober 2018 voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Tweede bestreden beschikking: 28 september 2018

Bij deze bestreden beschikking heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 1 oktober 2018 tot 23 augustus 2019 en heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader met ingang van 1 oktober 2018 verlengd tot 1 april 2019.

3.5. 

De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar eerste beroepschrift verzet zij zich tegen de uithuisplaatsing en in haar tweede beroepschrift bovendien ook tegen de ondertoezichtstelling. Zij voert, samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing aanwezig zijn. De rechtbank heeft zich laten leiden door onvolledige en onjuiste informatie van de GI. De moeder is op 12 juni 2018 onwel geworden door twee tandartsinjecties, waardoor zij een black-out kreeg en door de ambulance werd meegenomen. De neuroloog constateerde geen afwijkingen. De moeder was binnen twee uur weer thuis. De kinderen waren toen al op basis van de verleende spoedmachtiging bij de vader geplaatst. De moeder was niet onstabiel en er was geen sprake van een situatie waarin zij niet in staat was om voor de kinderen te zorgen. De moeder was niet ingestort vanwege hoge stress. De GI heeft het onwel worden van de moeder gebruikt om de impasse te doorbreken. De moeder accepteert alle hulp. De rechtbank lijkt zich te hebben blindgestaard op uiterst discutabel ingekleurde berichtgeving van de GI waarmee de moeder als labiel en kennelijk weigerachtig wordt afgeschilderd.

3.6. 

De GI voert in zijn verweerschrift, samengevat, het volgende aan.

De precieze oorzaak van incident van 12 juni 2018 zal altijd onduidelijk blijven. Toen de moeder was overgebracht naar het ziekenhuis was het onduidelijk wat er voor de kinderen was geregeld. De moeder weigerde meerdere malen de jeugdzorgwerker te woord te staan, maar was hiertoe wel bij machte. De huisarts en het verplegend personeel van de spoedeisende hulp konden geen inschatting geven over de veiligheid van de kinderen als zij bij de moeder zijn. De moeder heeft een posttraumatische stressstoornis. Zij geeft aan dat zij niet aan deze problematiek kan werken naast de zorg voor haar kinderen. Dit zorgt voor stagnatie in de hulpverleningstrajecten. De kinderen hebben hier last van. De moeder blijft hangen in het verleden, vertoont heftige emoties en heeft een groot wantrouwen richting de vader en de hulpverlening. De uithuisplaatsing bij de vader was noodzakelijk en in het belang van de kinderen. Dit geeft de moeder de ruimte om aan haar eigen problematiek te werken. De kinderen hebben nu rust en de hulpverlening kan worden opgestart in de thuissituatie bij de vader. De kinderen zijn aangemeld bij [instelling 1] en [instelling 2] . De moeder is akkoord met de diagnostiek, maar wil niet dat de resultaten met de GI worden gedeeld. Dat is zorgelijk, omdat inmenging van de GI juist noodzakelijk is om de vervolgtrajecten voor de kinderen te realiseren. Het is niet zichtbaar voor de GI (niet in de rapportages en niet in de gedragspatronen) dat de moeder met haar eigen problematiek aan de slag gaat.

3.7. 

De vader voert in zijn verweerschriften, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder dient vele klachten in. Dit belemmert de gezinsvoogden in hun taak en verlamt ze. Voordat de kinderen bij de vader werden geplaatst, was de moeder al overbelast. De moeder werkt niet. Er was hulp nodig voor de moeder om [minderjarige 2] naar school te brengen en die ging alle dagen naar de BSO. De vader deed de zwemles, omdat de moeder daar geen tijd voor had. Nog meer intensieve begeleiding was geen optie. Niemand had zicht op de vangnetconstructie die de moeder voor de kinderen had bedacht op 12 juni 2018. De moeder legt een welhaast ziekelijke achterdocht aan de dag als het gaat om de betrokkenheid van de vader bij de kinderen. De moeder weigert zich te onderwerpen aan een persoonlijkheidsonderzoek. De vader ervaart de gesprekken met [instelling 1] als helpend. De moeder vindt alle vormen van hulpverlening onbekwaam: [instelling 3] , [instelling 4] , [instelling 1] en [instelling 2] . De moeder heeft zelf de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing gecreëerd. Pas dankzij de uithuisplaatsing konden de onderzoeken vanuit [instelling 2] starten.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1. 

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.2. 

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.3. 

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.4. 

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.5. 

Het hof is van oordeel dat hier sprake is van een zodanige noodzaak en overweegt daartoe het volgende.

Ondertoezichtstelling

3.8.6. 

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in november 2015 onder toezicht gesteld omdat zij ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. De ondertoezichtstelling is sindsdien onafgebroken verlengd. Door de jaren heen is de bedreiging niet afgenomen. Integendeel, het hof is van oordeel dat de dreiging juist is toegenomen en sturing vanuit de GI nog steeds hard nodig is. Tussen de ouders is sprake van een langdurige forse strijd, een verstoorde communicatie en duidelijk is dat de kinderen hier steeds meer last van krijgen. Met name [minderjarige 1] kampt met heftige loyaliteitsproblemen en hij lijkt zich steeds meer af te sluiten voor de hulpverlening. Volgens de GI is [minderjarige 1] ‘hulpverleningsmoe’. Door de jaren heen zijn de kinderen steeds meer onderdeel gaan uitmaken van de strijd tussen hun ouders en dit vormt een ernstige bedreiging voor hun ontwikkeling. Een zorg die het hof hierbij heeft is dat de moeder de kinderen moedwillig lijkt te betrekken in haar strijd. De GI heeft ter zitting onbetwist verklaard dat de moeder geluidsopnames heeft gemaakt waarin de kinderen zeggen dat ze vaker bij haar willen zijn en dat de moeder een fragment heeft waarin [minderjarige 2] verklaart dat [minderjarige 1] alleen thuis is. Het hof acht dit een zorgelijke gang van zaken. Dat de kinderen hebben te lijden van dit soort gedragingen van de moede en dat zij bekneld raken omdat zij in dit soort conflicten worden betrokken, staat voor het hof zonder meer vast.

De moeder stelt dat zij het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling niet nodig heeft om te waarborgen dat de kinderen de hulpverlening krijgen die zij nodig hebben. Het hof overweegt dat de moeder weliswaar een beroep heeft gedaan op veel hulpverleners, maar dat deze vooral dienend lijken te zijn aan de moeder en haar opvattingen, en niet primair voor de kinderen worden ingeschakeld. Het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling kan de ouders – en daarmee: de kinderen – juist helpen om in een rustiger vaarwater te komen met elkaar. De ouders willen graag verandering en zijn moe van de strijd, maar slagen er niet in om de geboden hulpverlening daadwerkelijk om te zetten in een gedragsverandering. Sturing vanuit het gedwongen kader is noodzakelijk, ook om de hulpverlening op gang te krijgen. Ter zitting van het hof is gesproken over ‘parallel ouderschap,’ waarbij de communicatie tussen de ouders beperkt blijft. Dit houdt in dat de ouders ieder voor zich het ouderschap vorm geven en zich daarbij zo min als mogelijk met het ouderschap van de andere ouder bemoeien. In de gegeven situatie is parallel ouderschap goed denkbaar. Het hof begrijpt dat beide ouders hieraan zouden willen meewerken. Indien de ouders daadwerkelijk een start willen maken met het ‘parallel ouderschap’ – iets wat hof toejuicht – is interventie van de GI noodzakelijk om dit traject van de grond te krijgen en te doen slagen.

3.8.7. 

Hoewel de moeder betoogt alle hulpverlening te accepteren, blijkt dit niet uit haar handelingen. De moeder koestert een langdurig en diepgeworteld wantrouwen richting de hulpverlening. Gezien de forse zorgen en signalen van onveiligheid, wilde de GI eind 2017 systeembreed diagnostiek laten verrichten. De casus is aan 9 grote zorgaanbieders voorgelegd. [instelling 1] en [instelling 2] waren bereid om gezamenlijk het onderzoek te verrichten. De GI heeft de kinderen vervolgens aangemeld bij [instelling 1] en [instelling 2] voor een volledig diagnostiektraject. Het hof is van oordeel dat het onderzoek dringend nodig was – en nog steeds is – naar de kindeigen problematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en om meer dient er zicht te krijgen op de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Nadat de moeder meerdere voorwaarden en kanttekeningen had geplaatst bij het af te nemen onderzoek door [instelling 2] , was zij – aanvankelijk – akkoord gegaan met het diagnostiektraject onder de voorwaarde dat de resultaten niet met de GI zouden worden gedeeld. Dit vormt een wezenlijke belemmering in de in te zetten hulpverlening aan de kinderen door de GI. Het hof is niet bekend of de moeder hier inmiddels anders over denkt. Los daarvan is ter zitting gebleken dat [instelling 2] niet langer bereid is om het onderzoek uit te voeren. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard dat [instelling 2] al een half jaar bezig is om te proberen de ouders bij elkaar te krijgen en goedkeuring te krijgen voor de start van het onderzoek. Vorige maand waren de ouders weliswaar beiden akkoord gegaan met het onderzoek van [instelling 2] en de onderzoeksvragen, maar het traject stagneerde omdat de moeder haar persoonlijke goedkeuring weigerde te verlenen. Zij had – wederom – meerdere opmerkingen en wilde van alles uit het verleden meenemen. De GI heeft onbetwist verklaard dat [instelling 2] onder deze omstandigheden heeft afgezien van het onderzoek. Het is nog onduidelijk welk onderzoek er nu nog kan worden ingezet.

Naar het oordeel van het hof is hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen af te wenden, omdat niet te verwachten is dat hulpverlening in een vrijwillig kader voldoende van de grond zal komen. Het is van oordeel dat de kinderen nog steeds ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en dat de ondertoezichtstelling terecht is verlengd met de duur van een jaar.

Uithuisplaatsing

3.8.8. 

Het hof stelt voorop dat het incident van 12 juni 2018 niet de enige reden is die ten grondslag ligt aan (het verzoek tot) de uithuisplaatsing. Er waren al langer ernstige zorgen over de kinderen, met name vanwege de impact op hen van de heftige en complexe strijd die de ouders met elkaar voeren. De zorgen betroffen vooral [minderjarige 1] . Uit het verzoek spoedmachtiging van 13 juni 2018 van de GI blijkt dat zijn schoolprestaties achteruit gingen, zijn schoolverzuim toenam en hij zelfbepalend gedrag vertoonde. Sinds de kinderen bij de vader verblijven, is er sprake van een positieve ontwikkeling. De vader accepteerde meteen de hulpverlening vanuit [instelling 1] , werkte mee aan hulpvragen over de oudercommunicatie en heeft volledig inzicht gegeven in zijn opvoedsituatie. Bij de moeder is dit zicht er tot op heden niet. De moeder heeft een gesprek gehad met [instelling 1] en heeft daarin te kennen gegeven geen hulpvraag te hebben en zij merkte bovendien op dat zij de betreffende hulpverlener niet geschikt vond.

Gebleken is dat de vader tegemoet komt aan de behoeften van de kinderen. De GI heeft verklaard dat het prettig samenwerken is met de vader: hij is goed aanspreekbaar en de hulpverlening voor de kinderen komt op gang. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren meer rust nu en zitten beter in hun vel. De GI heeft de indruk dat de moeder met name de strijd voorop zet en in mindere mate de kinderen. Als de GI met de moeder in gesprek gaat, haalt zij vaak zaken uit het verleden erbij. Bij de vader ervaart de GI het anders: de kinderen zijn voor hem het belangrijkste en de gesprekken gaan over de kinderen. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij heel trots is op [minderjarige 1] . Na een moeilijke start op een nieuwe school, haalt [minderjarige 1] nu mooie cijfers en mag hij volgend schooljaar op een hoger niveau onderwijs volgen. Ook [minderjarige 2] is op school vooruit gegaan. De school signaleert dat [minderjarige 2] rustiger en vrolijker is sinds zij bij de vader verblijft. De GI ziet in [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee vrolijke kinderen die aangeven het fijn te hebben bij hun vader. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat deze positieve lijn de komende tijd gewaarborgd blijft, zodat de rust behouden wordt en de ingezette hulpverlening gecontinueerd kan worden. Evenals de rechtbank, is het hof er niet van overtuigd dat de moeder de voor de kinderen ingeschakelde hulpverlening zal continueren als de kinderen weer bij haar zouden wonen. De moeder vertoont nog steeds een heftige weerstand richting de hulpverlening en zij stelt allerlei voorwaarden die verhinderen dat de hulpverlening op gang wordt gebracht. Onder al deze omstandigheden is de noodzaak van (continuering van) de uithuisplaatsing zonder meer vast komen te staan. Het is voor het hof duidelijk dat de kinderen bij de moeder thuis niet de hulp krijgen die zij nodig hebben en dat de opvoedomgeving van de vader momenteel beter aansluit bij wat de kinderen nodig hebben: rust en ruimte om zich te ontwikkelen zonder meegezogen te worden in de strijd die hun ouders met elkaar voeren.

3.8.9. 

Het hof zal de bestreden beschikkingen bekrachtigen voor zover aan zijn oordeel onderworpen, dus wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader.

Verzoek onderzoek 810a Rv

3.8.10. 

Artikel 810a lid 2 Rv voorziet expliciet in de mogelijkheid om in zaken betreffende kinderbeschermingsmaatregelen aan de rechter een deskundigenonderzoek (contra-expertise) te verzoeken. In de onderhavige zaak is er nog geen deskundigenonderzoek tot stand gekomen waartegen de moeder dit verzoek zou kúnnen indienen. Het hof wijst dit verzoek dan ook af.

3.8.11. 

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikkingen, voor zover die aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, dus wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis en H.J. Witkamp en is op 18 april 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.

Bron: Rechtspraak.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.