Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2018:5686

Inhoudsindicatie

De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij moeder. Hij loopt weg naar vader en wil niet terug naar moeder. Vader houdt de minderjarige bij zich omdat hij de situatie bij moeder niet goed vindt voor de minderjarige. De minderjarige gaat bij vader niet naar school.

Moeder vordert in kort geding vader te veroordelen de minderjarige naar haar terug te brengen, op straffe van een dwangsom. Raad voor de kinderbescherming en jeugdbeschermer (in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarige) vinden dat minderjarige per direct terug moet naar moeder om zijn schooljaar af te maken.

Vordering toegewezen. Vonnis in begrijpelijke taal.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2018-06-15
Publicatiedatum
2018-07-16
Zaaknummer
C/10/551001 / KG ZA 18-543
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht
Zittingsplaats
Rotterdam

Uitspraak




 




 
vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie

zaaknummer / rolnummer: C/10/551001 / KG ZA 18-543

Uitgewerkt vonnis in kort geding van 15 juni 2018

in de zaak van


[naam eiseres]
,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. E.J.M. Habets te Schiedam,

tegen


[naam gedaagde]
,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.B. Sassen te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.

1 De procedure

1.1. 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verkorte vonnis van 15 juni 2018;

  • het herstelvonnis van 19 juni 2018.

1.2. 

Ter zitting van 15 juni 2018 zijn verschenen:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Habets;

– de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. H.C.M. Kortman, waarnemend voor

mr. Sassen;

– mevrouw [naam vertegenwoordiger 1 Jeugdbescherming ] en mevrouw [naam vertegenwoordiger 2 Jeugdbescherming ] namens Jeugdbescherming Rotterdam

Rijnmond (hierna: jeugdbescherming);

– mevrouw [naam vertegenwoordiger raad kinderbescherming] van de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam (hierna: de

raad).

1.3. 

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. 

Partijen zijn de ouders van de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2004 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.2. 

Bij beschikking van 10 oktober 2016 heeft de rechtbank Rotterdam het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder bepaald.

2.3. 

De minderjarige verblijft sedert 19 april 2018 bij de vader.

3 Het geschil

De achtergrond van het geschil

3.1. 

In deze zaak gaat het om de minderjarige [naam minderjarige] . Hij is veertien jaar oud en woont bij zijn moeder, samen met zijn twee broertjes, een tweeling van 12 jaar oud. [naam minderjarige] is, volgens de geldende afspraken, regelmatig in het weekend bij zijn vader. Zijn broertjes hebben op dit moment geen contact met de vader. [naam minderjarige] gaat naar school op het Geuzencollege te Vlaardingen.

3.2. 

[naam minderjarige] en zijn broertjes zijn onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, omdat zij zoveel veel last hebben van de scheiding van hun ouders dat hun ontwikkeling hierdoor wordt bedreigd. Mevrouw [naam jeugdbeschermer] is de jeugdbeschermer (hierna: jeugdbeschermer).

De aanleiding voor deze procedure

3.3. 

Op 19 april 2018 is [naam minderjarige] met de trein naar zijn vader gegaan. [naam minderjarige] heeft de voorzieningenrechter verteld dat de directe aanleiding hiervoor was dat hij van mevrouw [naam jeugdbeschermer] niet mee mocht op vakantie met zijn vader naar Denemarken. Dat was voor hem de druppel die de emmer deed overlopen.[naam minderjarige] had al veel langer moeite met de situatie bij zijn moeder thuis. Dat had met name met twee dingen te maken. Ten eerste de doorlopende ruzies tussen [naam minderjarige] en zijn broertjes, waarbij zijn broertjes [naam minderjarige] uitschelden en ook lelijke dingen over hun vader zeggen. En ten tweede het feit dat [naam minderjarige] ervaart dat er bij de moeder thuis, en ook door de jeugdbeschermer, niet naar [naam minderjarige] geluisterd wordt. Bijvoorbeeld als [naam minderjarige] klaagt over de manier waarop zijn broertjes zich tegenover hem gedragen of als [naam minderjarige] aangeeft dat hij liever bij zijn vader wil wonen en daar naar de school het Helicon in Den Bosch wil gaan, zo heeft [naam minderjarige] verteld.

3.4. 

[naam minderjarige] is vanaf 19 april 2018 bij zijn vader gebleven. Hij heeft het daar goed naar zijn zin. Hij ervaart rust, omdat er geen ruzies met zijn broertjes zijn. [naam minderjarige] heeft nu niet of nauwelijks contact met zijn moeder en zijn broertjes. Hij zegt dit contact ook niet te missen. Wel wil hij op termijn graag in het weekend naar zijn moeder, op dezelfde manier als hij eerst naar zijn vader ging.

[naam minderjarige] gaat nu niet naar school. De vader heeft verklaard dat het voor hem in verband met zijn werk niet goed te doen is om [naam minderjarige] vanuit Maren-Kessel steeds naar school te brengen en weer op te halen. Wel doet [naam minderjarige] bij zijn vader schoolwerk op de computer. [naam minderjarige] wil graag het schooljaar met succes afronden, zodat hij over kan gaan.

Bij zijn vader sport [naam minderjarige] regelmatig. [naam minderjarige] is daardoor fitter en zijn gewicht is beter geworden. [naam minderjarige] heeft bij zijn vader een paard waar hij regelmatig naartoe kan en daar geniet hij van.

3.5. 

De moeder is dit kort geding gestart, omdat zij vindt dat [naam minderjarige] zo snel mogelijk weer bij haar terug moet komen. Zij vordert dat de voorzieningenrechter de vader veroordeelt om [naam minderjarige] weer terug naar moeders huis te brengen, waarbij de vader een dwangsom moet betalen als hij dit niet doet.

De moeder maakt zich zorgen over de (emotionele) veiligheid van [naam minderjarige] bij de vader. Daarmee bedoelt moeder, zo heeft zij ter zitting uitgelegd, dat zij bang is dat [naam minderjarige] zich bij zijn vader niet vrij kan voelen om goed contact met zijn moeder te hebben. De moeder denkt dat dit niet goed is voor [naam minderjarige] .

Verder vindt de moeder het heel belangrijk dat [naam minderjarige] zo snel mogelijk weer naar zijn school, het Geuzencollege, gaat.

3.6. 

De vader vindt dat de vordering van de moeder moet worden afgewezen. Hij is ervan overtuigd dat de situatie bij de moeder thuis niet goed is voor [naam minderjarige] . Het is niet voor niets dat [naam minderjarige] naar zijn vader toegekomen is. Behalve de ruzies tussen [naam minderjarige] en zijn broertjes speelt ook een rol dat [naam minderjarige] bij zijn moeder teveel de verantwoordelijkheid krijgt voor de zorg voor zijn broertjes.

De vader vindt dat de moeder en de jeugdbeschermer naar [naam minderjarige] moeten luisteren. Hij heeft in de afgelopen periode al verschillende keren geprobeerd met de moeder en de jeugdbeschermer in gesprek te gaan om in onderling overleg te regelen dat [naam minderjarige] bij hem komt wonen, maar de moeder en de jeugdbeschermer wilden dat niet.

3.7. 

Omdat de ouders er samen niet uitkomen, zal de voorzieningenrechter moeten beslissen of vader [naam minderjarige] wel of niet terug moet brengen naar de moeder.

4 De beoordeling

4.1. 

De voorzieningenrechter is ervan overtuigd dat [naam minderjarige] op dit moment bij zijn vader wil wonen, omdat hij hier meer rust ervaart en omdat hij bij zijn vader de mogelijkheid zou hebben naar een school te gaan waar hij graag naartoe wil. Dat [naam minderjarige] zich op dit moment bij zijn vader thuis het prettigst voelt, is belangrijk. De voorzieningenrechter houdt hier rekening mee.

4.2. 

De voorzieningenrechter vindt het ook belangrijk wat jeugdbescherming en de raad van de situatie vinden.

4.3. 

De vertegenwoordigers van jeugdbescherming vinden dat [naam minderjarige] zo snel mogelijk naar zijn moeder terug moet gaan, zodat hij zijn schooljaar goed af kan maken. Daarna moet er een goed plan komen voor [naam minderjarige] , waarbij gekeken wordt bij wie [naam minderjarige] het beste kan wonen en naar welke school [naam minderjarige] zal gaan. Het kan zijn dat de uitkomst hiervan is dat [naam minderjarige] bij zijn vader gaat wonen. Jeugdbescherming vindt het belangrijk dat dat dan op een goede, doordachte manier gaat en niet zoals het nu is gebeurd.

Jeugdbescherming heeft op de ochtend van de zitting contact gehad met de zorgcoördinator van het Geuzencollege. Zij heeft gezegd dat [naam minderjarige] het schooljaar waarschijnlijk nog met succes zal kunnen afronden, maar dan moet [naam minderjarige] wel vanaf de maandag na de zitting hele dagen naar school komen. In reactie hierop heeft de vader gezegd dat hij afgelopen woensdag nog contact gehad heeft met de directrice, en toen heeft gehoord dat [naam minderjarige] alleen enkele uren per week naar school hoeft te komen om toetsen in te halen. Jeugdbescherming en de vader zijn het hier dus niet over eens.

De vader heeft uiteindelijk wel toegezegd dat hij, als [naam minderjarige] echt niet naar het Helicon kan, ervoor zal zorgen dat [naam minderjarige] tot het einde van het schooljaar naar het Geuzencollege gaat. Jeugdbescherming is er niet van overtuigd dat de vader dit ook echt zal doen.

4.4. 

De vertegenwoordigster van de raad vindt dat [naam minderjarige] terug moet naar zijn moeder en zo snel mogelijk weer naar school moet. De raad wijst erop dat in een eerdere beslissing van een rechter al is vastgelegd dat [naam minderjarige] bij zijn moeder en niet bij zijn vader woont en dat de vader eigenrichting pleegt. Dat wil zeggen dat de vader zich zonder dat de moeder en jeugdzorg het ermee eens zijn, niet aan die rechterlijke beslissing houdt. De vader houdt [naam minderjarige] bij school weg en dat is strafbaar.

De raad maakt zich zorgen over [naam minderjarige] , omdat het de vader en de moeder niet lukt de problemen op een goede manier voor [naam minderjarige] op te lossen.

4.5. 

De voorzieningenrechter merkt op dat de hoofdregel is dat ouders, dus ook de vader, zich moeten houden aan de rechterlijke uitspraak waarin staat dat [naam minderjarige] zijn hoofdverblijf bij zijn moeder heeft.

4.6. 

Dat zou ten eerste anders kunnen zijn als die uitspraak berust op een kennelijke misslag, wat wil zeggen dat er bij het nemen van die beslissing door de rechter iets duidelijk misgegaan is. Niemand heeft in deze procedure gezegd dat dit voor de uitspraak over het hoofdverblijf van [naam minderjarige] geldt, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat deze uitzondering hier niet aan de orde is.

4.7. 

Een tweede uitzondering is als de situatie inmiddels zo veranderd is, dat de voorzieningenrechter moet aannemen dat de rechter van toen, de bodemrechter, onder de omstandigheden van nu anders over het hoofdverblijf van [naam minderjarige] zou beslissen.

De voorzieningenrechter ziet dat de situatie is veranderd. [naam minderjarige] heeft namelijk steeds meer last gekregen van ruzies met zijn broertjes en heeft inmiddels een sterke wens om bij zijn vader te wonen. Maar de voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat de bodemrechter onder de huidige omstandigheden zou beslissen dat [naam minderjarige] bij zijn vader gaat wonen. Daarvoor heeft de voorzieningenrechter te weinig informatie over de situatie bij de moeder thuis, de situatie bij de vader thuis en over de relatie van [naam minderjarige] met zijn beide ouders en met zijn broertjes. Bovendien heeft de voorzieningenrechter de indruk dat bij [naam minderjarige] sprake is van een groot loyaliteitsconflict, doordat zijn ouders zoveel strijd hebben. Dit wordt waarschijnlijk nog versterkt door het feit dat zijn broertjes geen contact met de vader hebben en [naam minderjarige] als enige van de kinderen wel. Dat loyaliteitsconflict maakt het extra moeilijk om te beoordelen of [naam minderjarige] het beste bij zijn vader of bij zijn moeder kan wonen. Om goed te kunnen inschatten wat de bodemrechter nu zou beslissen, is het nodig een en ander verder te onderzoeken. Maar omdat in een kort geding snel moet worden beslist, kan zo’n onderzoek niet in deze procedure gedaan worden.

Ook in de veranderde situatie ziet de voorzieningenrechter op dit moment dus geen basis om te beslissen dat [naam minderjarige] voorlopig bij zijn vader blijft.

4.8. 

Er is nog een laatste uitzondering. Daarvan is sprake als het in strijd is met de belangen van [naam minderjarige] is om de vader te veroordelen hem naar de moeder terug te brengen.

Het is duidelijk dat [naam minderjarige] last heeft van de situatie bij zijn moeder thuis en graag bij zijn vader wil wonen. Hij heeft er dus belang bij dat de voorzieningenrechter de vordering van zijn moeder afwijst. Aan de andere kant is het voor [naam minderjarige] ook van belang dat hij naar school gaat en dit schooljaar met succes kan afronden.

4.9. 

De vader stelt dat [naam minderjarige] het schooljaar bij hem kan afmaken op het Helicon, maar dat ziet de voorzieningenrechter niet zo. De moeder is het er namelijk niet mee eens dat [naam minderjarige] naar deze school gaat en zij geeft geen toestemming om [naam minderjarige] op deze school in te schrijven. Dit betekent dat de vader voor de inschrijving van [naam minderjarige] op deze school de toestemming van de rechtbank nodig heeft. De vader heeft hiervoor geen verzoek bij de rechtbank ingediend. Dit betekent dat het afmaken van dit schooljaar op een andere school dan het Geuzencollege geen reële mogelijkheid is.

4.10. 

De vader heeft, zoals hiervoor al is opgemerkt, toegezegd dat hij ervoor zal zorgen dat [naam minderjarige] vanaf de maandag na de zitting elke dag tot het einde van het schooljaar naar het Geuzencollege gaat. Maar de voorzieningenrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de vader deze toezegging zal (kunnen) waarmaken. Daarbij is van belang dat [naam minderjarige] sinds 19 april 2018 niet meer naar school is geweest omdat dat de vader hem gelet op de afstand naar school en vaders werk niet kon brengen en halen. De vader heeft ter zitting niet duidelijk gemaakt hoe hij kan regelen dat dit de komende weken wel gebeurt. Bovendien heeft de voorzieningenrechter ter zitting de indruk gekregen dat de vader er nog steeds op wil inzetten dat [naam minderjarige] het schooljaar op het Helicon afmaakt. De voorzieningenrechter is bezorgd dat de vader die mogelijkheid eerst verder zal willen onderzoeken en daarmee kostbare schooldagen voor [naam minderjarige] verloren gaan.

4.11. 

De voorzieningenrechter vindt dat het belang van [naam minderjarige] om zijn schooljaar met succes af te maken op dit moment het zwaarste weegt. Daarvoor is, zoals hiervoor is uitgelegd, nodig dat [naam minderjarige] zo snel mogelijk terug gaat naar zijn moeder.

Ook de afweging van de belangen van [naam minderjarige] leidt dus niet tot het oordeel dat de vordering van de moeder moet worden afgewezen.

4.12. 

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de vader zich moet houden aan de rechterlijke uitspraak waarin is bepaald dat [naam minderjarige] bij de moeder woont. De voorzieningenrechter zal de vader dan ook, zoals de moeder heeft gevorderd, veroordelen om [naam minderjarige] naar de moeder terug te brengen. Wel zal aan de door de moeder gevorderde dwangsom een maximum van € 5.000,- worden verbonden.

4.13. 

De moeder heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vader heeft laten weten ervan uit te gaan dat de voorzieningenrechter het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. Gelet op het oordeel van de voorzieningenrechter dat [naam minderjarige] zo snel mogelijk terug naar zijn moeder moet zodat hij zijn schooljaar goed kan afronden, zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.14. 

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de voorzieningenrechter dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. 

veroordeelt de vader binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de minderjarige [naam minderjarige] terug te brengen naar de woning van de moeder aan de [adres moeder] te [woonplaats moeder] , op verbeurte van een dwangsom van € 250,- (zegge tweehonderdvijftig euro) per dag voor ieder dag of gedeelte daarvan dat de vader in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;

5.2. 

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. 

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.4. 

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Wieman-Bart en in het openbaar uitgesproken op

19 juni 2018.

Bron: Rechtspraak.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.