Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2018:11311

Inhoudsindicatie

Stiefouderadoptie. Samenlevingstermijn. Kennelijk belang minderjarige en heeft minderjarige thans en naar voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien nog iets van de vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten. Geslachtsnaam. Gezag.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2018-12-21
Publicatiedatum
2018-12-21
Zaaknummer
C/15/274502 / FA RK 18-2957
Procedure
Eerste aanleg – meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zittingsplaats
Alkmaar

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/274502 / FA RK 18-2957

beschikking van 21 december 2018 betreffende éénouderadoptie (door de stiefouder)

in de zaak van:


[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat: mr. M.J. van Rooij, aanvankelijk kantoorhoudende te Purmerend,

thans kantoorhoudende te Haarlem,

-tegen-


[de vader]
,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

strekkende tot:

  1. primair: het uitspreken van de adoptie van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [plaats] (verder: [minderjarige] ) door verzoeker;

  2. subsidiair: het bepalen dat de moeder samen met verzoeker wordt belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] ;

  3. het bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zal dragen;

  4. het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking.

Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder.

1 Procedure

1.1 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoeker, ingekomen op 28 mei 2018;

– het F9 formulier, met bijlagen, van de advocaat van verzoeker, ingekomen op 3 juli 2018.

1.2 

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 oktober 2018 in aanwezigheid van verzoeker bijgestaan door mr. M.J. van Rooij en de moeder. De vader is, met telefonisch bericht van verhindering, niet verschenen.

Blijkens hiervan opgemaakt proces-verbaal is de behandeling van de zaak aangehouden tot 20 november 2018 om 10.00 uur, met bevel tot oproeping van verzoeker en mr. M.J. van Rooij, de moeder, de vader en de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad).

1.3 

Na de mondelinge behandeling van 1 oktober 2018 is op 9 november 2018 ingekomen een F9 formulier, met bijlagen, van de advocaat van verzoeker.

1.4 

De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 20 november 2018 in aanwezigheid van verzoeker bijgestaan door mr. M.J. van Rooij en de moeder. Voorts is verschenen [medewerker Raad] namens de Raad.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, (wederom) niet verschenen.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 

Uit de moeder is op [geboortedatum] in de gemeente [plaats] geboren: [kind 1] .

2.2 

De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad, welke in 2013 is beëindigd. De moeder heeft nimmer met de vader samengewoond.

2.3 

Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend op [datum] . De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] .

2.4 

Verzoeker, de moeder en [minderjarige] wonen sinds [datum] in gezinsverband met elkaar samen.

2.5 

Verzoeker is op [datum] in de gemeente [plaats] gehuwd met de moeder.

2.6 

Vóór het huwelijk van verzoeker en de moeder is op [datum] in de gemeente [plaats] geboren: [kind 2] . Verzoeker heeft [kind 2] erkend. Door het huwelijk zijn verzoeker en de moeder gezamenlijk belast met het gezag over [kind 2] .

2.7 

Deze rechtbank, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 4 oktober 2017 in een eerder verzoek van de moeder tot vaststelling van het gezamenlijk gezag van haar en verzoeker over [minderjarige] en om de stiefouderadoptie van [minderjarige] uit te spreken, de moeder niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot adoptie van [minderjarige] door verzoeker. Ook is de moeder in die beschikking niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek om haar gezamenlijk met verzoeker te belasten met het gezag over [minderjarige] .

3 Beoordeling

3.1 

De vader is, hoewel twee maal behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op beide zittingen en heeft het verzoek niet tegengesproken.

3.2 

De met het gezag belaste moeder stemt in met het verzoek tot adoptie.

3.3 

De Raad heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat zij haar ontstaansgeschiedenis kent. De moeder lijkt daar wel mee bezig te zijn geweest. Zij heeft via het FIOM informatie ingewonnen, zij heeft een boek aangeschaft en zij heeft daarbij foto’s van de vader van [minderjarige] gebruikt. De moeder heeft [minderjarige] met behulp van die informatie verteld over haar afkomst. Er is blijkbaar contact met de familie van de vader. Adoptie is heel ingrijpend, omdat daardoor de familiebanden met de (familie van de) vader worden doorgesneden. De vader is kennelijk weinig betrouwbaar, maar dat is voor [minderjarige] een gegeven. In de huidige situatie lijkt adoptie te verstrekkend. Gezamenlijk gezag lijkt een meer geëigende maatregel. De vraag is wat de eenheid van naam in één gezin voor [minderjarige] extra zou opleveren. Verzoeker en de moeder hebben [minderjarige] voldoende duidelijk gemaakt dat [minderjarige] bij hen welkom is. Soms worden er beslissingen genomen over iemand die daarbij zelf niet is gehoord. Als de vader zelf was verschenen, had hij kunnen vertellen welke belangenafweging hij gemaakt zou hebben. Dan zou [minderjarige] dat te zijner tijd beter kunnen begrijpen. Dat zou ook in haar belang zijn.

3.4 

De rechtbank overweegt als volgt.

samenlevingstermijn

3.5 

Uit de BRP-uittreksels van verzoeker, de moeder en [minderjarige] blijkt dat zij per [datum] op hetzelfde adres staan ingeschreven. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de eis dat verzoeker drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met de moeder en [minderjarige] heeft samengeleefd, een en ander zoals genoemd in artikel 1:227, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.6 

De wetgever heeft voormelde samenlevingseis gesteld opdat een zekere bestendigheid kan worden verwacht van het milieu waarin het kind terecht komt. Verzoeker en de moeder zijn op [datum] met elkaar gehuwd. Uit de als productie 4 bij het op 3 juli 2018 ingekomen F9 formulier van de advocaat van verzoekers overgelegde stukken kan worden afgeleid dat er feitelijk sinds medio juni 2015 sprake is van samenleving tussen verzoeker, de moeder en [minderjarige] . Daarmee is gemelde bestendigheid naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan.

Kennelijk belang [minderjarige]

3.7 

Aan de orde is de vraag of adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is en of in de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van haar vader in hoedanigheid van vader te verwachten heeft. Verzoekers hebben gesteld dat de vader [minderjarige] in haar hele leven slechts één maal heeft gezien, kort na de bevalling gedurende ongeveer 15 à 20 minuten. Nadien is er geen enkel contact meer geweest tussen de vader en [minderjarige] .

3.8 

Gelijk de Raad heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de moeder en verzoeker op adequate wijze bezig lijken te zijn geweest met het geven van statusvoorlichting aan [minderjarige] . De moeder heeft in dat verband ter zitting het volgende verklaard. Na de zitting van 15 augustus 2017 in de zaak die heeft geleid tot voormelde beschikking van 4 oktober 2017, hebben de moeder en verzoeker via het FIOM informatie ingewonnen en zij hebben een boek van het FIOM aangeschaft, waarin staat beschreven op welke wijze je een kind kunt voorlichten over zijn/haar afkomst. Vervolgens hebben de moeder en verzoeker een plan gemaakt en uitgevoerd over hoe zij met voormelde informatie aan [minderjarige] voorlichting zouden geven over haar afkomst, waarbij zij eveneens foto’s van de vader aan [minderjarige] hebben laten zien.

3.9 

Uit de stukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 20 november 2018 naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat [minderjarige] thans en naar voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien niets meer van de vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.

Behalve kort na de geboorte van [minderjarige] heeft er geen enkel contact meer plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] , mede omdat de vader daartoe geen enkel initiatief heeft genomen en hij geen enkele interesse toont in [minderjarige] . Voorts heeft de vader nooit enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] voldaan. De vader is twee maal op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen, maar heeft beide malen nagelaten te verschijnen.

Daar komt bij dat de vader zijn ouders wél een rol spelen in het leven van [minderjarige] .

Ook kent [minderjarige] de twee minderjarige kinderen van de vader die ook in [plaats] wonen.

De vader, die in de buurt woont, laat niets van zich horen, inmiddels meer dan 5 jaar lang. Dat hier tijdelijke omstandigheden aan ten grondslag liggen die een beletsel vormden en deze omstandigheden in de toekomst niet meer in de weg staan aan omgang heeft de vader ook niet kenbaar gemaakt. Dit had op zijn weg gelegen. De rechtbank wil daarbij benadrukken dat in het kader van de te maken beoordeling het bovendien niet gaat om de vraag of er in de toekomst mogelijk alsnog omgang zal zijn maar om de vraag of de vader alsnog als ouder zal gaan optreden. Dat moet bij de geschetste gang van zaken geen reële optie meer worden geacht.

3.10 

Ten aanzien van de vraag of de adoptie in het kennelijk belang is van [minderjarige] overweegt de rechtbank als volgt. Verzoeker wil met de verzochte adoptie uitdragen dat hij zich volledig verantwoordelijk voelt en wil voelen voor [minderjarige] , net als voor zijn twee biologische kinderen, juist ook als de relatie met haar moeder onverhoopt in de toekomst zou eindigen. Deze behoefte om de zorg voor [minderjarige] onvoorwaardelijk te laten zijn, is in het belang van [minderjarige] en deze houding valt hem te prijzen.

Bij het gezin van verzoeker en de moeder hoort ook [kind 1] , de halfzus van [minderjarige] . Dit is een dochter van moeder uit een eerdere relatie. Ter zitting is gevraagd hoe onderhavig verzoek zich in het licht van het voorgaande verhoudt tot [kind 1] , voor wie geen verzoek tot stiefouderadoptie is gedaan. De moeder heeft daarover op zitting verklaard dat [kind 1] omgang heeft met haar vader. En hoewel dit contact plaatsvindt op onregelmatige basis, stimuleren de moeder en verzoeker [kind 1] om dit contact te onderhouden. Ook betaalt de vader van [kind 1] een bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van [kind 1] en [minderjarige] daarmee niet vergelijkbaar is.

De rechtbank heeft tot slot in aanmerking genomen dat er thans nog wel contact is tussen de grootouders (vz) en [minderjarige] en dat verzoeker en de moeder ter zitting hebben toegezegd dat dit contact kan worden gecontinueerd.

3.11 

Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank de overtuiging dat de gevraagde adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [minderjarige] thans en naar voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien niets meer van de vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten en is de adoptie in haar belang. Nu ook overigens aan de in artikel 1:227 BW genoemde gronden voor adoptie en aan de in artikel 1:228 genoemde voorwaarden voor adoptie is voldaan, zal het verzoek tot (stiefouder) adoptie worden toegewezen.

geslachtsnaam

3.12 

Verzoeker en de moeder hebben reeds een kind tot wie zij in familierechtelijke betrekking staan, te weten [kind 2] , zodat [minderjarige] het tweede kind is tot wie verzoeker, en het derde kind is tot wie de moeder, in familierechtelijke betrekking komt te staan.

3.13 

Nu [minderjarige] het tweede kind is tot wie verzoeker en de moeder gezamenlijk in familierechtelijke betrekking komen te staan, is voor de naamskeuze artikel 1:115, achtste lid, BW van toepassing. Uit dit artikel blijkt dat de keuze die voor de naam van het eerste kind van dezelfde ouders is gedaan, beslissend is voor alle volgende kinderen. [minderjarige] zal na de adoptie de geslachtsnaam [geslachtsnaam] dragen. Verzoekers hebben een dienovereenkomstige naamskeuze gedaan. Gelet op het vorenstaande zal het verzoek te bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zal dragen bij gebrek aan belang worden afgewezen.

3.14 

Nu het (primaire) verzoek tot adoptie zal worden toegewezen, behoeft het (subsidiaire) verzoek aangaande het gezamenlijk gezag over [minderjarige] geen verdere bespreking.

3.15 

Gelet op de aard van de procedure en hetgeen is bepaald in artikel 1:20 e, eerste lid, BW, wordt het verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen, afgewezen.

3.16 

De rechtbank overweegt aangaande het gezag over [minderjarige] – wellicht ten overvloede – het volgende. Verzoeker is gehuwd met de moeder en uit het systeem van de wet (art. 1:251, eerste lid, BW) volgt dat er in die situatie sprake is van gezamenlijk gezag van verzoeker en de moeder. Voor de duidelijkheid zal de rechtbank in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder k. van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking.

4 Beslissing

4.1 

spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het vrouwelijk geslacht:


[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [plaats] ,

door verzoeker voornoemd;

4.2 

wijst af het meer of anders verzochte;

4.3 

draagt de griffier – op grond van artikel 1:20 e lid 1 BW – op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] ;

4.4 

bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, voorzitter, mr. J.L. Roubos en mr. D.H. Steenmetser-Bakker, allen rechter tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Bron: Rechtspraak.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.