Uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2019:3856

Inhoudsindicatie

Onduidelijk is gebleven of al dan niet sprake is van een officieel – in Koeweit voltrokken – huwelijk dat voor erkenning in aanmerking komt.

Het feit dat het kind enkele maanden na zijn geboorte door de vader in Nederland is erkend, vormt een belangrijke indicatie dat geen sprake is van een huwelijk dat in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. De rechtbank houdt het er daarom voor dat het kind is geboren uit een niet huwelijkse affectieve relatie en dat de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag heeft.

De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om met het eenhoofdig gezag te worden belast af, maar geeft wel een verklaring voor recht, omdat de moeder zegt problemen te ervaren als zij met het kind naar het buitenland wil reizen.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2019-05-08
Publicatiedatum
2019-05-07
Zaaknummer
C/15/282320 / FA RK 18-6792
Procedure
Eerste aanleg – enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zittingsplaats
Haarlem

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

gezag

zaak-/rekestnummer: C/15/282320 / FA RK 18-6792

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 8 mei 2019

in de zaak van:


[de moeder]
,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E. El-Sharkawi, kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,

tegen


[de vader]
,

in het verzoekschrift vermeld als [de vader] ,

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: de vader.

1 De procedure

1.1. 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het verzoek, met bijlagen, van de moeder van 23 november 2018;

– de brief, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 4 januari 2019.

1.2. 

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019 in aanwezigheid van de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De vader is opgeroepen via de Staatscourant, maar was niet ter zitting aanwezig.

2 De feiten

2.1. 

Partijen zijn de ouders van een kind, dat blijkens de geboorteakte als [het kind] op [geboortedatum] in [plaats] is geboren. De vader heeft het kind op 4 oktober 2016 erkend, uit de akte van erkenning blijkt dat het kind sindsdien geen achternaam meer heeft en alleen [voornaam] heet. Op de erkenning is Nederlands recht toegepast.

2.2. 

De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. De vader is burger van Koeweit.

3 Het verzoek

3.1. 

De moeder heeft verzocht haar op grond van artikel 1:253a jo. 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen met het ouderlijk gezag over [het kind] te belasten. Ter zitting is gebleken dat het verzoek is ingegeven door de omstandigheid dat de moeder er in de praktijk mee wordt geconfronteerd dat autoriteiten of instanties (zoals de Koninklijke Marechaussee op de luchthaven Schiphol) ervan menen te moeten uitgaan dat de moeder en de vader gezamenlijk met het gezag zijn belast. Bij voorgenomen uitreis uit Nederland wordt dan – bijvoorbeeld – om een bewijs van toestemming van de vader gevraagd.

3.2. 

In het inleidende verzoekschrift heeft de moeder dan ook in lijn hiermee gesteld dat partijen samen het gezag hebben en heeft zij aangevoerd dat het in het belang van [het kind] is dat zij alleen met het gezag over hem wordt belast, omdat er geen minimale basis is voor gezamenlijke gezagsuitoefening. De vader heeft volgens de moeder nooit een rol in het leven van [het kind] gespeeld en nooit contact met hem gehad. De moeder acht het in het belang van [het kind] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie en dat zij formeel met het eenhoofdig gezag wordt belast.

4 De beoordeling

4.1. 

Aangezien deze zaak een internationaal karakter heeft, moet ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en wat welk recht daarop van toepassing is.

4.2. 

Het verzoek heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II bis).

4.3. 

Ingevolge artikel 8, eerste lid, Brussel II bis zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Aangezien [het kind] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Ingevolge artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht toepasselijk.

4.4. 

In het verzoekschrift is niet duidelijk aangegeven wat de grondslag zou zijn voor het gestelde bestaande gezamenlijk gezag. Wel staat vast dat er geen sprake is van gezamenlijk gezag op basis van registratie, zoals bedoeld in artikel 1:252 BW. [het kind] komt niet voor in het gezagsregister. Het verzoekschrift rept niet van een huwelijk als grondslag voor het gezamenlijk gezag, maar daarin staat wel dat sprake is van een echtscheiding.

4.5. 

Op 4 januari 2019 heeft de raadsman van moeder uitstel gevraagd in verband met het verkrijgen van bewijs van gehuwd zijn uit het buitenland.

Ter zitting is uiteindelijk door de raadsman naar voren gebracht dat de situatie onduidelijk is. Er zou mogelijk sprake zijn geweest van een huwelijk, maar onduidelijk is of dit een officiële of een officieuze verbintenis is geweest. Er zou ook sprake zijn of zijn geweest van een echtscheiding. De moeder beschikt niet over documenten en kan haar burgerlijke staat – officieel gehuwd of niet en officieel gescheiden of niet – dan ook niet beoordelen. Moeder heeft haar situatie – naar de rechtbank begrijpt – wel ervaren als (kort) gehuwd en vervolgens verstoten.

4.6. 

De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van gezamenlijk gezag op basis van artikel 1:252 BW. Dit betekent dat het verzoek alleen voor toewijzing in aanmerking komt, als sprake is van gezamenlijk gezag dat van rechtswege na echtscheiding is blijven bestaan. Ter zitting is naar voren gekomen dat sprake is geweest van een vorm van relatiebevestiging die wellicht “huwelijk” genoemd zou moeten worden. Volgens de moeder is er wel een document van opgemaakt, maar kan zij dit niet overleggen, omdat de vader dit in zijn bezit heeft en partijen sinds de (feitelijke) scheiding geen contact meer met elkaar hebben en zij geen contactgegevens van de vader heeft.

4.7. 

Onduidelijk is gebleven of al dan niet sprake is van een officieel huwelijk dat voor erkenning in aanmerking komt. Het huwelijk is in ieder geval niet in Nederland geregistreerd. Het feit dat [het kind] enkele maanden na zijn geboorte door de vader officieel in Nederland is erkend, vormt evenwel een belangrijke indicatie dat geen sprake is van een huwelijk dat in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. Bij deze stand van zaken moet het ervoor gehouden worden dat [het kind] is geboren uit een niet huwelijkse affectieve relatie en dat hij weliswaar door de vader is erkend, maar dat de ouders er niet toe zijn overgegaan om de vader mede met het gezag over [het kind] te belasten. Dit betekent dat het er ook voor moet worden gehouden dat de moeder sinds de geboorte van [het kind] van rechtswege het eenhoofdig gezag over hem heeft en dat haar verzoek om met alleen met gezag over [het kind] te worden belast moet worden afgewezen.

4.8. 

Omdat de moeder heeft gezegd dat zij op Schiphol problemen ervaart als zij met [het kind] wil reizen, vat de rechtbank haar verzoek mede op als een verzoek tot het geven van een verklaring voor recht dat zij het eenhoofdig gezag heeft. De rechtbank zal in die zin beslissen, omdat niet is gebleken dat dit in strijd met het belang van [het kind] is.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1. 

verklaart voor recht dat de moeder alleen belast is met het gezag over [het kind] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;

5.2. 

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. 

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.C. Bakker, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. van Dullemen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.

Bron: Rechtspraak.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.